Half zichtbare handdrukken

Toen enkele jaren geleden de Philips-fabriek in Leuven dicht ging, was dat daar een grote schok. Vanaf het kerkhof van de Abdij van het Park, die daar vlakbij lag, werden fraaie plaatjes geschoten die de ondergang van de werkgelegenheid in het Leuvense moesten symboliseren. Vandaag ziet het beeld er compleet anders uit. Burgemeester van Leuven (en oud vice-premier) Louis Tobback heeft het in De Standaard van 2 september jongstleden over het mirakel van `de Philips': ,,Die verlaten industriële site langs de ring zal tegen 2004 uitgroeien tot een ultramodern bedrijfsterrein dat bovendien ook architecturaal mooi zal zijn.'' Leuven kan het zich tegenwoordig veroorloven kieskeurig te zijn: ,,Als we spreken over werkgelegenheid in Leuven, dan mikken we op afgeleide industrie van de universiteit. We springen zuinig om met de bedrijfsruimte. Moet er nieuwe bijkomen, dan moet dat op een esthetisch en ecologisch verantwoorde manier gebeuren.''

Leuven is een mooi voorbeeld van geslaagd clusterbeleid. In het kader van de DIRV-actie (DIRV = Derde Industriële Revolutie in Vlaanderen) van de Vlaamse overheid werd begin 1984 in Leuven het Interuniversitair Centrum voor de Micro-electronica opgericht, merkwaardig genoeg afgekort tot IMEC. Dit centrum bouwde voort op het acht jaar daarvoor tot stand gekomen kleinere instituut ESAT van de Leuvense hoogleraar Roger van Overstraeten, dat zich toelegde op computer aided chip design. Van Overstraeten, die in de jaren zestig aan de Stanford University (Silicon Valley!) ervaring had opgedaan met hightech-ondernemerschap en commerciële spin-offs van universitair onderzoek, werd ook van IMEC directeur. Dit instituut is sindsdien uitgegroeid tot zowat de belangrijkste publieke onderzoeksinstelling op dit terrein in Europa. Daaromheen heeft zich een cluster van kleine spin-offs en grote `klanten' (zoals Philips en Alcatel) gevormd, dat nu onder de naam `Digital Signal Processing Valley' (DSP) door het leven gaat. Waarschijnlijk is er in de Lage Landen geen `ICT-cluster' dat zo dicht het voorbeeld van Silicon Valley benadert als dit – al zie ik de Leuvense Kardinaal Mercierlaan nog niet een soort Californische Camino Real worden met de motels en shopping malls die daar bij horen – en gelukkig maar.

Wie over de Leuvense DSP meer wil weten, kan terecht in het zonet verschenen Silicon Valley in de polder. ICT-clusters in de Lage Landen (uitgeverij Lemma), onder redactie van Harry Bouwman en Wim Hulsink. Dit boek probeert alles wat in Vlaanderen en Nederland maar als ICT-cluster kan aangemerkt worden (Eindhoven, Amsterdam, Rotterdam, Twente; Ieper, Leuven), in kaart te brengen. Maar het perspectief is ruimer, want naast een lang artikel over de Amerikaanse voorbeelden en korte (niet erg kritische) stukken over Singapore, Maleisië en India, komen in de verschillende hoofdstukken nog de nodige buitenlandse ICT-clusters ter sprake. Verder wordt ingegaan op de opvallende rol van steden en regio's in de informatiesamenleving. Aan de hand van de (nog?) niet zo succesvolle ICT-ontwikkeling in Emmen (!) wordt aangetoond dat de op basis van informatie- en communicatietechnologie aangekondigde `death of distance' voorbarig is. Er is een hoofdstuk over dreigende `digitale tweedeling'. En tenslotte wordt ingegaan op private en publieke financiering van nieuwe hightech-bedrijvigheid in beide landen.

Op het einde van het boek stellen de samenstellers de vraag hoe we de dynamiek van ICT-clustering kunnen begrijpen. Met alle nuanceringen dreigt dat een klassiek verhaal te worden van vriezen-en-dooien. De overheid speelt niet zelden een initiërende (maar niet doorslaggevende) rol. `Sociaal kapitaal' in de zin van een actieve, lerende en intern goed communicerende gemeenschap draagt behoorlijk bij. Kennisinstellingen in de buurt helpen, maar hoeven niet per se op een steenworp afstand te liggen (zie bijvoorbeeld Flanders Language Valley in Ieper). En zonder hardnekkig en gedreven ondernemerschap met een internationale oriëntatie, vergeet het maar! Venture capitalists met geld en managementondersteuning spelen meestal een belangrijke rol. Tenslotte kom je er in dynamische markten, zoals deze rond ICT, niet zonder een goede portie toeval en geluk. Bouwman en Hulsink concluderen dan ook dat er niet één succesformule is. Al lijkt mij uit alle cases naar voren te komen dat een stevige alliantie van gedreven ondernemers en publieke beleidsmakers met visie ons meestal een behoorlijk eind op de goede weg brengt.

In een vorig jaar door de OECD gepubliceerd overzicht van clusters en clusterinitiatieven in meer dan een dozijn geïndustrialiseerde landen (Boosting Innovation: The Cluster Approach), komen de - ook Nederlandse - samenstellers Theo Roelandt en Pim den Hertog tot een globale tweedeling in vormen van clusterbeleid: bottom-up de marktdynamiek stimuleren versus top-down (zij het in dialoog met industrie en kennisinstellingen) vanuit een ambitieuze visie nationale prioriteiten neerzetten. Ook hier bleek evenwel dat bij de vorming van de succesvolle clusters beide mechanismen, zeg maar de onzichtbare en de zichtbare hand van de economie, elkaar in de regel niet kunnen missen.