Content: toets voorkennis

Justitie gaat twee voormalige directieleden van uitzendbedrijf Content en president-commissaris Maas vervolgen wegens voorkennis. De rechtszaak wordt een toets voor de nog relatief jonge voorkenniswetgeving.

Het gebeurt niet vaak dat een captain of industry als oud KBB-topman Arie Maas zich in de rechtszaal moet verantwoorden. Maar in de voorkenniszaak rond uitzendbedrijf Content gaat dat nu toch gebeuren. Maas, die president-commissaris was bij Content en momenteel commissariaten heeft bij KLM, Heineken en TPG, is verwikkeld geraakt in een affaire rond de overname van de uitzendonderneming in maart vorig jaar. Ook de twee toenmalige directeuren van Content zullen in dezelfde zaak door het Amsterdamse Openbaar Ministerie worden vervolgd.

Het belooft een interessante rechtszaak te worden omdat de affaire om méér gaat dan alleen het beeld van de top van een bekende onderneming in de beklaagdenbank. De zaak kan bijvoorbeeld tot de broodnodige jurisprudentie leiden in de relatief nog prille voorkenniswetgeving.

De affaire speelde zich af rond de overname van Content door de Belgische branchegenoot Creyf's. Vlak voordat de gesprekken over deze overname serieus werden was er, zoals ieder jaar, nog een optieprogramma voor het topkader goedgekeurd door de raad van commissarissen. De zaak kreeg een plotselinge wending toen de overnamegesprekken met Creyf's de dagen daarna in hoog tempo bleken te verlopen. Waarschijnlijk door tijdsdruk verliep de termijn waarbinnen de personeelsopties hadden moeten worden uitgegeven. Toen de Content-top zich dat realiseerde, besloot men de opties alsnog hals over kop te verstrekken. Eén beursdag voordat de overname wereldkundig werd, werden de brieven met het goede nieuws per koerier bij de begunstigden bezorgd. Ook de acceptatietermijn was veel korter dan andere jaren.

Intussen besloot men ook de financieringsvorm voor het optieprogramma te veranderen. Normaliter zouden er aandelen worden uitgegeven op het moment dat de opties zouden worden uitgeoefend. Deze keer werden er eigen aandelen ingekocht. Bovendien gebeurde dat niet alleen voor de nieuwe opties, maar ook voor de optieprogramma's die al jaren uitstonden.

Toen de overname bekend werd, steeg de Content-koers explosief. Dat pakte leuk uit voor het topkader, waaronder de twee directeuren, die de net ontvangen opties fors in waarde zagen stijgen. Leuk ook voor de vennootschap die de aandelen ter dekking voor een goedkope prijs bleek te hebben ingekocht. Sneu echter voor de beleggers die, onwetend van de overname, hun stukken Content hadden aangeboden.

Pas maanden later kwam de zaak boven water toen justitie een aantal Content-werknemers aanhield die, buiten de affaire van de optieverstrekking om, met voorkennis zouden hebben gehandeld. Dat was voor de nieuwe eigenaar Creyf's reden om nog eens diepgaand onderzoek te doen. Daarbij kwam de gang van zaken tijdens de overname aan de orde. Creyf's, dat blijkbaar zelf ook niet in de gaten had gehad wat er was gebeurd, veroordeelde de handelwijze van de Content-top publiekelijk op scherpe wijze en gaf de affaire bij justitie aan. De Belgen wilden snel van de zaak af, onder andere omdat men ellelange procedures van gedupeerde beleggers vreesde. Creyf's erkende schuld, betaalde een boete en compenseerde de aandeelhouders. Maar de twee directieleden en president-commissaris Maas vielen buiten de schikking en worden nu dus apart vervolgd.

De juridische discussie zal zich daarbij vooral concentreren rond de zogenaamde uitzonderingsbepalingen die in de voorkenniswetgeving staan genoemd. Zowel de inkoop van eigen aandelen als de uitgifte van opties is tijdens een overname toegestaan, maar alleen als er aan een aantal regels is voldaan. Belangrijkste daarvan is de `bestendigheid': de onderneming moet in lijn handelen met voorgaande jaren. En dat was bij Content op diverse punten juist niet het geval. Daarbij is de inkoop van de eigen aandelen juridisch het meest relevant, vooral omdat er veel meer stukken werden aangeschaft dan nodig was. Zelfs de raadsman van Maas, D. Doorenbos, erkent dat er op dat punt sprake is van een strafbaar feit voor de vennootschap, maar vindt tegelijkertijd dat justitie schiet met een kanon op een mug: ,,Dit is geen zaak om voor de rechter uit te vechten.'' Doorenbos vindt dat op alle andere punten de handelwijze van de onderneming past binnen de regels: ,,Ik zie, met de wet in de hand, echt niet wat er mis is.''

De officier van justitie zal dat uiteraard bestrijden, vooral omdat de uitvoering van de optieregeling alleen maar werd gewijzigd omdat de overname door Creyf's aan de orde was. Maas, die zelf overigens geen opties ontving, en de directie speelden daar welbewust op in en dus is er sprake van voorwetenschap, zal justitie betogen.

De rechtszaak kan nog een aantal andere aardige vragen ter tafel brengen. Waarom zette Content de optieverstrekking door, terwijl er voorkennisrisico's aan kleefden? Waarom werd dat optieprogramma bijvoorbeeld niet omgezet in bonussen voor het personeel? Waarom luidde niemand van de betrokken batterij aan professionele adviseurs de noodklok toen er veel te veel eigen aandelen werden ingekocht? Acteerde Maas tijdens de overname niet meer als directielid dan als president-commissaris?

VVD-kamerlid H. Voûte zei eerder in deze krant dat een situatie zoals bij de overname van Content door Creyf's ,,een test voor het zelfreinigend vermogen van de vennootschap'' is en dat de voorkenniswet gelezen moet worden ,,in het licht van de kamerbrede wens voor meer integriteit in het bedrijfsleven.'' Daarbij vindt zij Maas' raadsman Doorenbos tegenover zich. Die stelt dat de wetgeving alle ruimte biedt voor de handelwijze van de Content-top: ,,Anders had de wetgever dat maar specifieker moeten opschrijven.'' Een toets bij de rechter moet nu dus uitkomst bieden.