Brief van een eiland

Hoe langer ik op dit kleine eiland verblijf, hoe beter ik besef dat alles anders is dan in patria. Geen files, geen haast, overal een praatje, voortdurend `tussentijd', zoals Kees van Kooten het noemt. Alles gaat langzaam. Geen criminaliteit en contact is nog persoonlijk. Het is onmogelijk iemand op straat te beroven zonder dat een ander zich ermee bemoeit. Er is geen vooruitgang. Ik wandel over de weg, een auto stopt en de zwarte man vraagt waar ik heen wil.

,,The Fruittree, eten halen.'' Ik stap in.

,,I'm Peter.''

,,I'm Gene.''

The Fruittree is een klein restaurant met lokaal voedsel, goed klaargemaakt. Je mag het ook meenemen. Terwijl ik op de bestelling wacht, maak ik een praatje met een Amerikaan uit Boston. We praatten over Harvard University en grote rechtsgeleerden als Frank Sanders. O, hij kende Frank goed, zijn vrouw was een Quaker, zoals mijn gespreksgenoot. (Eerste wonder: we zitten op een eiland van nog geen tweeduizend inwoners, duizenden kilometers van onze huizen, maar we kennen dezelfde man in Boston.) De Quakers hebben in het midden van de negentiende eeuw het gevangeniswezen hervormd.

Waren de gevangenissen tot ongeveer 1850 opbergplekken en broeinesten van misdadigers, de Quakers vonden een systeem uit waardoor de veroordeelde in zijn cel tot inkeer kon komen. Een goed boek, meestal de bijbel, hielp hem daarbij en bovendien werd hij in de cel bezocht door een Quaker die het hem kon uitleggen.

Het zal wel eens geholpen hebben. Spinazie eten helpt ook. De Grieken lieten hun gevangenen knoflook eten tot ze al het kwaad hadden uitgezweet. Of niet. Systemen werken nooit systematisch en altijd anders dan de maker bedoelt. Honderd jaar later, in `onze tijd' dus, vond men de `resocialisatie' uit en moesten de gevangenen met elkaar `sociaal' leren worden. Nu zijn de gevangenissen weer opbergplaatsen en broeinesten van misdaad.

Er klonk muziek buiten het restaurant en we gingen kijken. Op een open plek werden swingende gospels gezongen door een reeks wiegende Ella Fitzgeralds en bassende Armstrongs, beide groepen in hun zondagse pak. We swingden mee. Amen, Amen. Halleluja. De voorganger vertelde dat je je ziel moet schoon houden, evenals je eiland.

Even later wandelde ik – twee ingepakte maaltijden bungelend aan de hand – terug. Een auto stopte. Hij bracht me naar de Papercorner. Veronica verkoopt blocnotes waarop ik je kan schrijven. In een hoek van de winkel zat een grote neger in het open raam die met een welluidende stem een gedicht voorlas uit een boekje dat hij juist gevonden had. Het gedicht ging over de aarde als eiland in het heelal. Veronica en ik luisterden naar de man in het raam. Uit het andere raam keek ik uit over de zee. Toen hij klaar was, liep hij naar Veronica en kocht de bundel.

's Avonds zing ik met de Creole Band in The Old Ginhouse. Calypso. Vier snaarinstrumenten, twee van zeer uitheemse snit, en een tamtam; George speelt de melodie op zijn banjo, Walton zingt, met een blanke man dus. Alles wordt calypso. Ook als ze – was het van Elvis Presley? – I can't stop loving you spelen, gaat het in calypso-stijl. Als ze spelen ben ik één met het eiland. Vorig jaar, toen ik van het eiland vertrok, zong Walton: Farewell friend, you're leaving/ our duty we must do/ the motherland we must obey/ untill another day. In de ernst van de gehoorzaamheid aan het moederland klonk ironie.

Als we even pauzeren, vertelt een cultureel antropologe dat ze het eiland bestudeert met de speciale vraag waarom de mensen er gezonder zijn dan op andere eilanden. ,,Als ik jullie hoor spelen, denk ik dat ik het weet.''

,,Zo is het.''

,,Maar hoe schrijf ik dat op?'' vroeg ze nog, maar toen klonk al Merengue, merengue...

Ik vertel je, als ik terugkom, nog wel eens waar dit eiland ligt. Ik heb gehoord dat in jullie wereld op e-mail en internet ook al ingebroken wordt. En als er duizend toeristen op het eiland zouden komen, slaat de vooruitgang toe en wordt alles er als in jullie land.