Birkenau-schilderij van Ophuis is effectbejag

Opnieuw veroorzaakt een schilderij van Ronald Ophuis (1968) opschudding. In 1997 werd een schilderij van drie mannen die een jongetje en een meisje seksueel misbruiken op last van de officier van justitie van zijn tentoonstelling verwijderd. Het publiek nam aanstoot aan wat beschouwd werd als kinderporno. Nu is er ophef rond het schilderij getiteld Birkenau dat Ophuis exposeert bij galerie de Praktijk in Amsterdam. Het toont twee mannen in gestreept gevangenispak met jodenster die een vrouw verkrachten.

Geen prettig onderwerp, maar dat is op zichzelf nog geen reden om het werk te veroordelen. Een schilder mag schilderen wat hij wil. Daarom is ook, nadat Ophuis in 1997 een rechtszaak aan had gespannen tegen de Nederlandse Staat, de beschuldiging van kinderpornografie ongegrond verklaard en is het schilderij op last van de rechter teruggehangen op de tentoonstelling.

Door al het gekrakeel wordt intussen wel steeds de aandacht van Ophuis' schilderkunst afgeleid. Belangrijker dan de vraag naar wat mag, is de vraag of het kunstwerk, in dit geval Birkenau, geslaagd is. Het antwoord is: nee.

In de schilderkunst gaat het om het wat en het hoe. Een schilderij werkt wanneer het motief een verbinding aangaat met de verf. Goede schilderijen roepen altijd een gevoel van innerlijke noodzaak op: het onderwerp moest precies op die wijze verbeeld niet worden, en niet anders. Maar Birkenau roept uitsluitend vragen op.

Als de boodschap is dat het slachtoffer ook dader kan zijn, dan is dat op zijn zachtst gezegd een open deur. Een andere mogelijkheid is dat er geen boodschap is. Ophuis heeft gezegd dat hij zijn levenlang gefascineerd is door geweld en misschien is dat wat hij wil tonen, geweld, of menselijk leed. Maar dat is niet wat we zien. We herkennen onmiddellijk het verhaal: dit is een concentratiekamp, en hier verkrachten gevangenen elkaar. Maar er is geen leed, angst, of pijn te zien.

Wat we zien is, niettegenstaande de gedetailleerde, realistische schilderwijze, een paar rare poppen-achtige figuren die een beetje liggen te klungelen op de grond. Het is een plaatje, geen beeld. Dit is waarschijnlijk het gevolg van het feit dat Ophuis de scènes die hij schildert letterlijk door modellen laat acteren in zijn atelier. Van dit schijnbare leed maakt hij foto's en tekeningen, die vervolgens de basis zijn voor het schilderij. We zien dan ook een schijnbaar leed. Ophuis vat zijn thema letterlijk op, en daarom gaat het onderwerp met hem aan de haal; letterlijkheid is nu eenmaal iets anders dan beeldende overtuigskracht. Birkenau wekt de indruk dat Ophuis niet begrijpt waar het in de schilderkunst, op artistiek niveau, om gaat.

Veel aandacht is besteed aan het schilderen van de houten barak en de stapelbedden met stro. Dit is kundig gedaan, een geslaagd decorstuk. Maar onduidelijk blijft waarom de verkrachtingsscène er collage-achtig en onhandig is ingezet, zonder verbintenis met de rest van het schilderij. En ook blijft onduidelijk waarom de achtergrond driekwart van het doek moet beslaan.

Het hele, uit drie delen bestaande, doek is trouwens onnodig groot, de plafondhoogte van de galerie was kennelijk bepalend. Perspectivisch en compositorisch wringt er van alles in dit schilderij. Er is sprake van een (opzettelijk, naar ik aanneem) naïef perspectief, met lijnen die te schuin of `verkeerd' weglopen. Dat wringen kan beeldend interessant zijn, maar hier werkt het niet. Want als dit is wat Ophuis schilderen wil, waartoe heeft hij dan een verkrachting in een concentratiekamp nodig? Omdat hij anders geen aandacht zou krijgen.

Het is belangrijk om de vrijheid van de kunstenaar te verdedigen, net zo goed als het belangrijk is een onderscheid te maken tussen goede en slechte kunst. Een goed kunstwerk rechtvaardigt zichzelf, ongeacht het onderwerp. Dat gebeurt hier niet. Birkenau is een kwestie van sensatiezucht en van goedkoop effectbejag.

Ronald Ophuis: Birkenau. Galerie De Praktijk, Lauriergracht 96, Amsterdam. T/m 4 oktober. Wo-za 13-18 uur, zo 1 oktober 14-17 uur.