Advocaten zijn geen hulppersonen van het justitiële apparaat

Een advocaat is verplicht alles geheim te houden wat hem in de normale uitoefening van zijn beroep door cliënten is toevertrouwd. Op die wettelijke plicht bestaan nu nog geen uitzonderingen en dat moet vooral zo blijven, vindt Rob Meijer.

In zijn stuk op de Opiniepagina van 7 september trok H.J.R. Kaptein van leer tegen de verdediging van dit beroepsgeheim door de Algemeen deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt (Opiniepagina, 30 augustus). Kapteins aanval is echter juridisch onjuist.

De aanleiding voor dit debat vormde het bezwaar van de deken tegen het Europese voornemen om ook advocaten een meldingsplicht op te leggen voor de opbrengsten van georganiseerde criminaliteit. De deken voorziet grote uitvoeringsproblemen bij een slechts gering rendement. Zo'n meldingsplicht vormt echter vooral een onwenselijke inbreuk op het beroepsgeheim van advocaten. Dat beroepsgeheim en het bijbehorende verschoningsrecht als getuige wegen namelijk volgens het in Nederland geldende recht zwaarder dan het opsporingsbelang in strafzaken, het schatkistbelang van de fiscus en het belang van de waarheidsvinding in procedures.

Die prioriteit van het beroepsgeheim is er overigens niet om een individuele cliënt te dienen. Het gaat hierbij om een hoger algemeen belang: het fundamentele recht dat iedereen advies en bijstand van een advocaat kan vragen zonder de vrees dat deze aan anderen doorvertelt wat hem in vertrouwen is meegedeeld.

In een uitspraak van 18 december 1998 heeft de Hoge Raad andermaal bevestigd dat het verschoningsrecht alles omvat dat aan zo'n geheimhouder in het kader van zijn beroep is meegedeeld, dat daarbij geen onderscheid past tussen meer of minder vertrouwelijke gegevens, noch ook tussen de wettelijke kerntaken en andere normale werkzaamheden van zo'n geheimhouder, dat er geen plaats is voor een afweging met andere individuele of publieke belangen, en dat zelfs de toestemming van de cliënt niet steeds het beroepsgeheim doet vervallen.

De centrale stelling van de deken, namelijk dat dit beroepsgeheim vooralsnog absoluut en onvoorwaardelijk is, vindt dus bevestiging in de Nederlandse wetgeving en rechtspraak. Wat stelt Kaptein daar nu tegenover? Allereerst haalt deze docent beroepsethiek en argumentatieleer een kwalijke demagogische truc uit: ,,Eigenlijk pleit de deken tegen een meldingsplicht inzake welke leven en welzijn bedreigende misstanden dan ook.'' De deken schreef echter niet over levensbedreigende misstanden maar over een onwenselijke meldingsplicht zodra een advocaat informatie krijgt over criminele gelden.

Nu zal een advocaat die van een cliënt hoort dat hij een bom in een metrostation zal plaatsen, best de politie mogen waarschuwen. Zo'n advocaat kan zo nodig beroep doen op de strafuitsluitingsgrond `noodweer'. Bij zo'n waarschuwing en indien later als getuige gehoord, zal die advocaat echter niet de naam van zijn cliënt mogen noemen. Het aldus zelf kunnen nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid verschilt wezenlijk van het verplicht aangeven van de eigen cliënt.

Kaptein vertekent ook bewust het in Nederland geldende recht waar hij stelt ,,dat advocaten geen wettelijk geheimhoudingsrecht of verschoningsplicht kennen'' omdat ,,niet de wetgever maar de rechter zulks heeft bepaald'' en bovendien herhaaldelijk is beslist ,,dat vertrouwelijkheid niet onvoorwaardelijk geldt''.

Het is wel degelijk de wetgever zelf die de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht (niet omgekeerd) voor advocaten heeft vastgelegd. Dat blijkt namelijk ondubbelzinnig uit de wetsgeschiedenis. De onvoorwaardelijkheid van het verschoningsrecht is ook recent weer door de Hoge Raad bevestigd. De uitzonderingen waar Kaptein wellicht op doelt, betreffen geheel andere situaties (ten behoeve van de cliënt; overmacht en noodweer; buiten-advocatuurlijke activiteiten en dergelijke).

Evenzeer onjuist is Kapteins stelling dat advocaten slechts een beroepsgeheim zouden hebben indien zij cliënten in rechtszaken bijstaan, en dus niet als zij alleen juridische adviezen geven. Reeds een oppervlakkige bestudering van zijn vakliteratuur had hem beter moeten leren.

Ten slotte verwijt Kaptein de deken dat hij ,,met geen woord heeft gerept over de menselijke en maatschappelijke schade door misdaadgeld''. Ook dit verwijt van de docent argumentatieleer is even demagogisch als onterecht. De deken heeft geen enkel bezwaar tegen effectieve misdaadbestrijding. De deken schreef juist dat advocaten op geen enkele wijze aan witwassen e.d. mogen meewerken en dat zij daarom moeten onderzoeken door wie en waartoe hun dienstverlening wordt verzocht.

Kaptein wil kennelijk, net als in zijn eerdere kruistocht tegen het inroepen van `mazen in de wet', advocaten ombuigen tot hulppersonen van het justitiële apparaat. Die taak heeft de advocaat ook, maar slechts door voor zijn cliënten en de rechter verantwoord vakwerk te bieden. Natuurlijk mag Kaptein een herziening van het beroepsgeheim bepleiten. Mijn advies aan Kaptein is echter dat hij eerst zijn eigen beroepsmatige plichten serieuzer neemt: argumenten toetsen aan de stand van de wetenschap en demagogie vermijden.

Mr. R.S. Meijer is advocaat te Den Haag.