Veel zwakke leerlingen

Een op de drie leerlingen in het voortgezet onderwijs in Rotterdam heeft extra hulp nodig wegens leerachterstand en sociaal-emotionele problemen. Het ministerie van Onderwijs gaat ervan uit dat landelijk een op de tien leerlingen extra hulp nodig heeft.

Dat blijkt uit een nog vertrouwelijk onafhankelijk onderzoek van het bureau Cordys onderwijstrajecten Capelle onder 1.300 leerlingen in het speciaal voortgezet onderwijs en het vmbo (samenvoeging van lbo en mavo) in Rotterdam. 38 van de 46 middelbare scholen in Rotterdam deden mee aan het onderzoek. Het rapport is vanmiddag op een besloten bijeenkomst aan de schoolbesturen gepresenteerd.

Uit eerder onderzoek van het bureau in de regio Voorne-Putten-Rozenburg bleek dat daar een op de vijf leerlingen extra hulp nodig zou hebben - twee keer zoveel als het ministerie becijfert. Dit onderzoek was volgens de onderzoekers representatief voor de rest van Nederland. Het verschil met Rotterdam komt door een hogere concentratie allochtonen en kansarme gezinnen.

De onderzoekers concludeerden na het onderzoek in Voorne-Putten-Rozenburg dat het budget van ongeveer 500 miljoen gulden dat jaarlijks naar de scholen gaat voor extra hulp zou moeten worden verdubbeld. Gezien de resultaten van dit onderzoek, zou daar nog ongeveer 200 miljoen bij opgeteld moeten worden.

Leerlingen met een achterstand en grote gedragsproblemen, kunnen binnen het vmbo een apart programma volgen met extra ondersteuning. De overige zogenoemde zorgleerlingen zitten binnen het speciaal voortgezet onderwijs op een mlk-school voor moeilijk lerende kinderen (tegenwoordig praktijkonderwijs) of een lom-school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. Uit het onderzoek in Rotterdam blijkt dat bijna de helft van de leerlingen op het `gewone' vmbo (47 procent) extra zorg nodig zou hebben. In de regio Voorne-Putten-Rozenburg was dat 19 procent.

Bureau Cordys heeft bij de vaststelling van het aantal leerlingen dat extra steun nodig heeft, gebruikt gemaakt van de meest recente criteria die het ministerie van Onderwijs zelf hiervoor heeft opgesteld. Het gaat hierbij om leerlingen met een leerachterstand en een lage intelligentie (IQ) of om een leerachterstand in combinatie met sociaal-emotionele problemen. De onderzoekers hebben alle 1.300 leerlingen op deze drie onderdelen uitgebreid getest.