Sancties Oostenrijk bedreigden EU

De veertien lidstaten van de Europese Unie konden gisteren niet anders dan hun sancties tegen Oostenrijk beëindigen. Maar de extreemrechtse FPÖ zit nog steeds in de regering en er is geen `vervolgstrategie'.

Toen de regeringen van veertien lidstaten van de Europese Unie afgelopen februari besloten tot diplomatieke sancties tegen de vijftiende lidstaat, Oostenrijk, wisten zij dat het Verdrag van de Europese Unie niet in een dergelijke stap voorziet. Vandaar dat de sancties `bilateraal' genoemd werden. Maar de Portugese premier Guterres maakte ze, getuige zijn briefpapier, wel bekend in zijn hoedanigheid van voorzitter van de EU.

Toen gisteravond de sancties werden opgeheven, werd dat gepubliceerd door Frankrijk, de huidige voorzitter van de EU. Maar het briefhoofd boven de verklaring vermeldde niets over dat EU-voorzitterschap. Het was papier van het bureau van de Franse president en werd een ,,verklaring van de veertien'' genoemd. Sinds hij begin van dit jaar de andere EU-regeringen onder druk zette om zonder naar verdragsteksten te kijken op te treden tegen Oostenrijk, is president Chirac voorzichtiger geworden.

Zowel de Franse als de Belgische regering heeft de afgelopen maanden herhaaldelijk verklaard dat de sancties tegen Oostenrijk zouden voortduren totdat de extreem-rechtse FPÖ uit de Oostenrijkse regeringscoalitie zou zijn vertrokken. De sancties zijn nu opgeheven maar de FPÖ zit nog steeds op het Weense regeringspluche. Met onder anderen de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Michel, sprak premier Kok de afgelopen maanden over een ,,vervolgstrategie'' die bedacht moest worden voordat er een einde aan de sancties kon komen. De sancties zijn nu verdwenen zonder dat er een strategie op tafel ligt.

De kern van het probleem is nog steeds dat de veertien lidstaten begin van dit jaar hebben gedaan alsof artikel 7 van het Verdrag van Amsterdam niet bestaat. Dat artikel bepaalt dat EU-regeringsleiders in geval van ,,een ernstige en voortdurende schending'' van beginselen van vrijheid, democratie en mensenrechten, op voorstel van de Europese Commissie of éénderde van de lidstaten, na instemming van het Europees Parlement en nadat het betrokken land om opheldering is verzocht, deze lidstaat rechten kan ontnemen. Daartoe behoort het tijdelijk ontnemen van stemrecht. Van een ernstige en voortdurende schending van beginselen was geen sprake toen de veertien de sancties instelden en bovendien volgden zij de in het Verdrag vastlegde procedure niet.

De Franse Eurocommissaris Barnier stelde afgelopen voorjaar als eerste voor om artikel 7 van het Verdrag van Amsterdam te wijzigen. Dat zou kunnen gebeuren bij de lopende onderhandelingen over verandering van het EU-verdrag, die in december in Nice moeten worden afgesloten. Het verdragsartikel zou moeten voorzien in maatregelen van waakzaamheid als er nog geen sprake is van schending van beginselen, maar als iets dergelijks dreigt. Die gedachte werd overgenomen door België. De Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Michel, zei begin deze maand tijdens informeel overleg met zijn EU-collega's in Evian nog dat een akkoord over wijziging van de verdragstekst voor hem voorwaarde was voor instemming met beëindiging van de sancties tegen Oostenrijk.

De Oostenrijkse kanselier Schüssel meldde in juni ook een wijziging van artikel 7 te willen en stelde meteen een ingewikkelde procedure voor met inschakeling van het Europees Parlement en de mogelijkheid om bij het Europees Hof van Justitie in beroep te gaan. Maar verschillende landen hebben al laten weten op zowel juridische als politieke gronden hiervoor niet te voelen. Een argument is dat kandidaat-lidstaten verandering van artikel 7 als een tegen hen gerichte maatregel kunnen beschouwen. De huidige, in 1997 in Amsterdam overeengekomen tekst van artikel 7, was trouwens speciaal bedoeld voor het geval in de toekomst Oost-Europese EU-lidstaten het niet zo nauw met de democratische regels zouden nemen.

De drie `wijzen' die vorige week aandrongen op opheffing van de sancties tegen Oostenrijk, hebben aanbevolen om een controleprocedure op te zetten, met mogelijk een speciale Eurocommissaris voor mensenrechten. Dat moet het mogelijk maken om, zodra gevreesd wordt dat de ,,gemeenschappelijke Europese waarden'' in een EU-lidstaat in gevaar komen, ,,een open dialoog'' met dat land te houden en een conflict te voorkomen.

De sancties tegen Oostenrijk zijn een gevaar geworden voor het functioneren van de EU.

Daarom stonden de veertien onder druk om ze op te heffen. De Franse pogingen om het nog snel eens te worden over een ,,procedure van waakzaamheid'' zijn mislukt. Voor de veertien landen die de sancties introkken bleef niets anders over dan te melden dat ze blijven nadenken over wat ze moeten doen als nog eens ergens extreem-rechts in de regering komt.

DOSSIER OOSTENRIJKwww.nrc.nl