Recruten

HER EN DER in de wereld wil Nederland de vrede bevorderen, desnoods gewapenderhand. Na Srebrenica zijn de verwachtingen daarover wat getemperd. Maar de ambitie om de vaderlandse krijgsmacht in te zetten, is er nog steeds. Vier vredesoperaties tegelijkertijd: dat is sinds de Prioriteitennota uit 1993 de doelstelling gebleven. Dat is op zichzelf een mooi streven.

Omdat door de val van de Muur de verdediging van het eigen grondgebied minder belangrijk was geworden en het aantal perifere conflicten juist bleek toe te nemen, kwam er een einde aan de dienstplicht. De opkomstplicht werd opgeschort. De krijgsmacht werd op professionele leest geschoeid, technologisch hoogwaardig en voorzien van voldoende inzetbare troepen. Dienstplichtige soldaten kun je immers niet dwingen om deel te nemen aan een riskante vredesmissie buiten de landsgrenzen. Beroepsmilitairen daarentegen hebben voor de risico's getekend. Maar het moet wel kunnen.

Dat nu begint een steeds nijpender probleem te worden. Afgaande op de officiële – en vermoedelijk geflatteerde – cijfers weet met name de landmacht voor haar taken onvoldoende gevechtstroepen te rekruteren. Dit jaar bijvoorbeeld zouden er 3.700 beroepsmilitairen geworven moeten worden, een aantal dat uit realiteitszin al met 800 naar beneden was teruggebracht. Op driekwart van het jaar hebben er amper 1.700 getekend. Bovendien maakt ruim een kwart van de cursisten de opleiding niet af, hetgeen de problemen nog groter maakt. Tegelijkertijd blijft de Tweede Kamer debatteren over potentiële nieuwe vredesmissies waaraan Nederland conform zijn `ambitieniveau' een steentje zou kunnen bijdragen. De volksvertegenwoordiging ontbeert daarbij voldoende en adequate informatie over de stand van zaken bij de krijgsmacht, enerzijds omdat ze daarover `onhelder' wordt ingelicht en anderzijds omdat ze daarop tot nu toe ook niet effectief heeft aangedrongen. `Wishfull thinking' heeft aan beide zijden de statistieken gekleurd.

DE, ZACHT GEZEGD, moeizame werving van beroepsmilitairen illustreert dat de kloof tussen doel en middel steeds breder wordt. Deze problemen zijn niet uniek. De overheid slaagt er over een bredere linie niet meer in haar eigen personeelsbestand op peil te houden. De dreigende crisis in het onderwijs en de gezondheidszorg spreekt wat dit betreft boekdelen. Net als elders in de industriële wereld loopt de (semi)overheid ook hier door de onstuimig groeiende economie vaak achter de feiten aan: de best gekwalificeerde arbeidskrachten zoeken liever hun heil in sectoren die in hoger aanzien staan en beter betalen.

Toen de regering begin jaren negentig overwoog de opkomstplicht af te schaffen, heeft de speciale commissie-Meijer daarvoor al gewaarschuwd. Maar in de euforie over het einde van de Sovjet-Unie én van de Koude Oorlog werd haar scepsis over de werving van beroepsmilitairen niet echt serieus genomen.

Bijna tien jaar later moeten regering en parlement de werkelijkheid onder ogen zien. Nog maar weer een extra televisiecampagne biedt geen soelaas meer. Het werven van buitenlanders is evenmin aantrekkelijk: dat zet de deur open voor huurlingenlegers die, zoals bekend, een eigen leven kunnen gaan leiden.

Het is pijnlijk maar waar. De krijgsmacht is op dit moment niet in staat in de praktijk te doen wat zij in theorie zou moeten. Het `ambitieniveau' zelf is daarom nu aan de orde.