Een drie verdiepingen tellende banaan

Vrijdag opent prinses Margriet het Limburgs Museum, ontworpen door Jeanne Dekkers. Het wil `edutainment' bieden.

Bestaat er zoiets als moderne Limburgse museumarchitectuur? Het is onzinnige vraag, maar wie het nieuwe Limburgs Museum in Venlo ziet, is even geneigd die vraag positief te beantwoorden. De nieuwbouw van de in Venlo geboren en in Maastricht getogen architecte Jeanne Dekkers heeft veel gemeenschappelijk met het Rotterdamse gebouw van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) uit 1993, ontworpen door Jo Coenen, de in Heerlen geboren en in Maastricht werkende architect die vorige week tot de nieuwe Rijksbouwmeester werd benoemd.

Beide gebouwen begrenzen een park: het NAi staat aan Rem Koolhaas' desolate Museumpark, het Limburgs Museum aan het groene Julianapark. Ook zijn ze allebei collages van verschillende bouwdelen, die op soortgelijke wijze aaneengesmeed zijn. Beide hebben een lang, gekromd bouwdeel (in Rotterdam de `banaan' genoemd), dat is verbonden met een glazen doos waarin onder meer de kantoren zijn ondergebracht. En zoals de Rotterdamse banaan is bekleed met verschillende materialen, zo is de ene gevel van de Venlose banaan van hout en de andere van ruwe, rode bakstenen.

Toch is de gelijkenis tussen beide gebouwen vermoedelijk slechts een kwestie van toeval. Zo is de 100 meter lange banaan van het Limburgs Museum voortgekomen uit de expliciete wens dat het museum een tocht door de geschiedenis moest bieden zonder een verplichte route. Het Limburgs Museum wil verrassen en dus moest het een soort `zap'-museum worden, waar de bezoeker alle twaalf afdelingen kan binnenlopen zonder eerst door andere zalen te moeten. Dekkers drie verdiepingen tellende banaan met zijn lange gangen die langs de tentoonstellingsruimten liggen, is voor deze wens de eenvoudigste oplossing. Ook de strikte scheiding tussen het expositiedeel en de glazen doos met kantoren en het restaurant, dat Limburgse specialiteiten op de kaart heeft staan, is een goede manier om niemand te laten verdwalen en te voorkomen dat bezoekersstromen door elkaar lopen.

Ook voor het gegeven dat het Limburgs Museum bestaat uit verschillende materialen als hout, baksteen, beton, staal en glas heeft Jeanne Dekkers een verklaring. Hiermee wilde ze op beknopte wijze de bouwgeschiedenis verbeelden, van de houten huizen uit de middeleeuwen via de baksteen van bijvoorbeeld renaissance-bouwwerken tot de dozen van staal en glas uit de 20ste eeuw. Voor de bakstenen gevel, het imponerendste deel van het exterieur, heeft ze nog als extra rechtvaardiging dat op de plek van het museum vroeger een oude vestingsmuur stond. Natuurlijk zijn dit associaties die bij de argeloze bezoeker van het Limburgs Museum niet onmiddellijk zullen opkomen, maar voor wie het eenmaal weet wordt het gebouw er wel begrijpelijker door.

Op verschillende punten overtreft het Limburgs Museum het NAi. Dat begint met de ingang. Terwijl het NAi over een akelig smal bruggetje aan het park of via een donkere, verscholen ingang onder de banaan moet worden betreden, heeft het Limburgs Museum een royale entree met een breed uitwaaierende trap ervoor gekregen. Wie naar binnen gaat, komt in Venlo niet in een benepen ruimte, maar in een flinke hal die wordt doorkliefd door onder meer een mooie, luie trap die naar de bovenste verdieping van de banaan voert. Zo kent het museum wel meer bijzondere plekken, zoals de glazen doos die op de bovenste etage van de banaan is gehangen en de bezoekers zonder hoogtevrees uitzicht biedt op het oudste benzinestation van Nederland. Dit station, dat nu in originele staat wordt hersteld, zal dienst gaan doen als informatiecentrum van het museum.

De zalen in de banaan zijn neutraal, zonder enig architectonisch effectbejag waaronder zoveel nieuwe musea leiden. Het zijn sobere, flexibele `zwarte dozen', die de tentoonstellingsmakers geheel naar hun hand kunnen zetten. Daarvan is uitbundig gebruik gemaakt. Het nieuwe Limburgs Museum heeft weinig van een traditioneel museum: de zalen zijn ronduit theatraal ingericht. Een zaal bevat de zogenaamde `historoscoop', een `multimedia'-spektakel met de Maas in de hoofdrol, dat doet denken aan een moderne versie van een 19de-eeuws panorama. Ook de overige elf zalen, die chronologisch de geschiedenis van Limburg vertellen, zijn `environments', compleet met geluiden, stemmen en zorgvuldig uitgelichte poppen, skeletten, maquettes van stadjes, gebouwen, kledingstukken en andere objecten. Ook kennen verschillende afdelingen verrassingen, zoals geheime gangen. Toelichtende teksten zijn zo veel mogelijk beperkt: wie meer wil weten, kan aan de slag met computers. Ze maken het Limburgs Museum tot een compleet hedendaags `edutainment'-centrum.