Dure brandstof is prijs van economische groei

Het belangrijkste ongunstige effect van de hoge olieprijs is een hogere inflatie; het grootste voordeel is dat het milieu er beter van wordt, vinden Carl Koopmans en Machiel Mulder.

Dit jaar zijn de prijzen van benzine en diesel sterk gestegen. Dit leidt tot protesten van automobilisten en vervoerders. En het roept vragen op. Waarom zijn de prijzen gestegen? Ligt het aan de olieproducenten van de OPEC, aan de overheid of aan de economische groei? Wat zijn de gevolgen van hoge brandstofprijzen voor bedrijven en gezinnen? Wat zijn de consequenties voor het milieu? En wat betekent het voor de economie als geheel?

De brandstofprijzen worden voor een groot deel bepaald door heffingen (accijns, btw). De heffingen zijn in de loop van de tijd geleidelijk verhoogd. Daarnaast zijn er de (winst)marges van brandstofdistributeurs en tankstations. De derde factor is de `kale' prijs van brandstoffen, die sterk fluctueert onder invloed van de prijs van ruwe olie en de dollarkoers.

Dit jaar zijn met name de kale brandstofprijzen sterk gestegen. Het huidige hoge niveau van de prijzen aan de pomp wordt vooral bepaald door een combinatie van een geleidelijke accijnsverhoging van de overheid gedurende de afgelopen decennia en de momenteel hoge olieprijs en hoge dollarkoers. De brandstofkostenstijging lijkt op lange termijn gezien mee te vallen als gelet wordt op de kosten per kilometer (personen) of tonkilometer (vracht) omdat het vervoer sinds 1980 energie-efficiënter is geworden. Daarnaast moeten we natuurlijk ook rekening houden met inflatie: guldens van het jaar 2000 zijn niet gelijk aan guldens van bijvoorbeeld 1980. Hierdoor ligt bijvoorbeeld de prijs van benzine in reële termen nu op ongeveer hetzelfde niveau als in de eerste helft van de jaren tachtig. Bij personenauto's is bovendien van belang dat veel automobilisten van benzine zijn overgestapt op diesel, vermoedelijk omdat zij daarmee per saldo goedkoper uit zijn.

Hoewel de huidige reële olieprijs in de buurt komt van de niveaus in de eerste helft van de jaren tachtig, liggen er andere factoren aan ten grondslag. De sterke verhoging van de prijs van ruwe olie in 1979 en de stabilisatie van de prijs op een hoog niveau tot 1985, waren het gevolg van een sterke vermindering in de olieproductie van de OPEC-landen. Medio jaren tachtig was het volume van de totale productie door de landen in het Midden-Oosten ongeveer de helft van dat in 1979.

De actuele prijsontwikkeling moet daarentegen vooral worden toegeschreven aan de sterke groei van de wereldeconomie sinds de Azië-crisis. Daardoor is de vraag naar olie flink toegenomen. De mondiale groei is overigens tevens een belangrijke factor achter de hoge economische groei in Nederland.

De huidige olieproductie, zowel van de OPEC als mondiaal, ligt nu ongeveer op het niveau van begin 1998. De stabilisering in het olie-aanbod door de OPEC is een reactie op de overproductie en lage olieprijzen van 1998. Een hoge olieprijs zal op termijn olieproductie in niet-OPEC-landen stimuleren, waardoor de prijs weer kan gaan dalen. Dit gebeurde ook in de jaren tachtig als gevolg van de oliecrises van de jaren zeventig. Op langere termijn mag dus een verlaging van de olieprijs naar `normalere' waarden worden verwacht.

Hoewel de gemiddelde brandstofkosten dit jaar in historisch perspectief dus niet bijzonder hoog zijn, zal dat wanneer de olieprijs zich vooralsnog op het huidige niveau stabiliseert, gevolgen hebben voor bedrijven en gezinnen.

De oliemaatschappijen en tankstations kunnen de gestegen kosten in hun prijzen doorberekenen. Voor een dalende omzet hoeven zij niet te vrezen, omdat het aantal autokilometers jaarlijks toeneemt. Wel zal deze toename wat kleiner kunnen zijn. Daar staat echter tegenover dat de oliemaatschappijen ook ruwe olie winnen en daarbij meer winst maken als de olieprijs hoog is. Per saldo is de hoge olieprijs daarom voor oliemaatschappijen zeer gunstig, zoals ook blijkt uit de hoge koers van hun aandelen.

De vervoersbedrijven kunnen hun hogere kosten in beginsel ook doorberekenen in hun vervoerstarieven: hun concurrenten hebben immers ook met hogere kosten te maken. Sommige vervoerders hebben hun tarieven in contracten vastgelegd. Voorzover deze vervoerders in de problemen komen, moet worden vastgesteld dat zij kennelijk onvoldoende rekening hebben gehouden met de variabiliteit van de oliemarkt. Dit lijkt een `normaal' bedrijfsrisico; als de olieprijs lager was uitgevallen dan verwacht, zouden deze ondernemers juist een voordeel hebben gehad. Een dergelijke situatie van dalende olieprijzen trad bijvoorbeeld op in 1998.

Voor andere bedrijven dan oliemaatschappijen en vervoersbedrijven betekent de prijsstijging van brandstof en van transport minder winst(groei). Voor consumenten betekent de prijsstijging minder (groei van de) consumptie.

Hogere energiekosten leiden tot veranderingen in de kostenstructuur van bedrijven en het consumptiepakket van consumenten. Uit onderzoek in verschillende landen blijkt bijvoorbeeld dat een stijging van de brandstofprijzen (de groei van) het aantal personenautokilometers in beperkte mate vermindert. De invloed op het brandstofverbruik is groter en treedt vooral op langere termijn op: mensen kopen dan een zuinigere auto.

Deze veranderingen in het gedrag zullen dus leiden tot een beperkte vermindering van de groei van de automobiliteit en een groter effect hebben op het energiegebruik en daarmee op de emissies van kooldioxide. Vooralsnog is het verkeer door de jaarlijkse stijging van het aantal gereden kilometers in toenemende mate verantwoordelijk voor de groei van de nationale emissies van kooldioxide. Stabilisering van de brandstofprijzen op het huidige niveau zou er toe kunnen bijdragen dat de emissies door het verkeer niet meer evenredig meegroeien met de economie.

De hoogte van de olieprijzen heeft niet alleen direct gevolgen voor de brandstoffenprijzen, maar ook voor de prijzen van producten die op basis van olie worden geproduceerd, met name plastics. Ook beïnvloedt de olieprijs de aardgasprijs en prijzen van producten die op basis van aardgas worden gemaakt, zoals kunstmest. Een verhoging van olieprijzen heeft daardoor gevolgen voor grote delen van de economie. Een blijvende verhoging van de olieprijs met circa vijf dollar per vat leidt tot een half procent extra inflatie en zet de winstgevendheid van bedrijven onder druk. Indien de hoge olieprijs bovendien zou worden vertaald in hogere lonen, worden de winsten nog verder ondergraven. Dit mechanisme, dat voluit heeft gefunctioneerd in de jaren zeventig en tachtig, zet vanzelfsprekend de werkgelegenheid onder druk.

Dat de huidige hoge olieprijzen nu minder dramatische gevolgen hebben voor de economie dan ten tijde van de eerste en tweede oliecrisis, komt met name door de betere structurele positie van de economie en de veel lagere energie-intensiteit (energiegebruik per eenheid product).

De energie-intensiteit van de OESO-landen (rijke industrielanden) is sinds de eerste oliecrisis (1973) met bijna dertig procent afgenomen. Deze daling heeft zich met name voorgedaan in de eerste helft van de jaren tachtig in reactie op de hoge olieprijzen in die periode. Sinds de olieprijs medio jaren tachtig op een lager peil is gekomen, heeft de energie-intensiteit van de OESO-landen zich gestabiliseerd.

Verwacht mag worden dat bij voortduring van de huidige olieprijzen de olie-intensiteit weer zal dalen. Deze daling zal het gevolg zijn van vergroting van de energie-efficiëntie (zuiniger omgaan met energie) en vermindering van het belang van olie als energiedrager, ten gunste van onder meer vernieuwbare energiebronnen.

De brandstofkosten zijn dit jaar sterk gestegen, met name door de hoge olieprijs. Deze olieprijs hangt sterk samen met de hoge economische groei in de wereld, die tevens leidt tot een hoge groei in Nederland. Zo beschouwd vormen hoge energiekosten een `prijs' die wordt betaald voor hoge groei. De huidige situatie is niet te vergelijken met de oliecrises van de jaren zeventig, enerzijds omdat de economische groei nu hoog is en anderzijds omdat de energie-intensiteit van de economie nu veel lager is. Het belangrijkste ongunstige effect van de hoge olieprijs is een hogere inflatie; het grootste voordeel is dat het milieu er beter van wordt.

Carl Koopmans en Machiel Mulder zijn respectievelijk hoofd Mobiliteit en projectanalyse en hoofd Energie en grondstoffen bij het Centraal Planbureau.