De eerste olie-opstand

Is dit een olieschok of een oliecrisis? Een algemeen geldende definitie is nog niet beschikbaar. In 1929 is de crisis begonnen met de beurskrach. Daarna kwam de Grote Crisis die in het spraakgebruik ook depressie wordt genoemd. Van een crisis kun je alleen spreken als een economische schok zich door de wereldeconomie voortplant en de zwakheid van sterk gewaande fundamenten blootlegt. De crisis is de ontmaskering van een groot structureel gebrek dat niet met snelle maatregelen kan worden verholpen. Daaruit ontstaan de paniek, het verval tot armoede waarin miljoenen worden meegetrokken, en, op langere termijn grote politieke gevolgen die tenslotte het leven radicaal veranderen.

Met de meest pessimistische wil van de wereld vallen deze verwikkelingen om de olie geen crisis te noemen. De prijzen zijn gestegen tot het niveau van 1980. De schok wordt in eerste aanleg opgevangen door alle mensen die in een auto rijden. Voor het eerst in de geschiedenis van het automobilisme verzetten ze zich, massaal. Eigenlijk is `schok' ook niet het goede woord. De prijsstijgingen duren al langer dan de afgelopen paar maanden. De Franse beroepsvervoerders en vissers waren de eersten die vonden dat de limiet was bereikt, en naar hun beste revolutionaire tradities acties ondernamen. Dat heeft deze keer aanstekelijk gewerkt. De grens is bereikt, dat vinden alle Europeanen met een auto. Het is minder een olieschok dan een olie-opstand, de eerste.

Vergelijken we 2000 met 1973, het jaar van de eerste oliecrisis (die nog altijd crisis wordt genoemd). Toen hadden de OPEC-landen de olieprijs met ongeveer 400 procent verhoogd. De eerste reactie in de Westelijke industriële landen was die van paniek. Daarop volgde geen politiek verzet, maar onder druk van enigszins apocalyptische vooruitzichten – `Het wordt nooit meer zoals het geweest is' (Den Uyl) – een vertoon van solidariteit. De publieke opinie, al ontvankelijk voor de problemen van het milieu en de schaarste aan grondstoffen door de rapporten van de Club van Rome, reageerde met een zeker fatalisme. Minder olie? Het was niet anders. Bij snijdende kou de gordijnen dicht. (Lubbers). Nederland, dat samen met Amerika, door de Arabische landen werd geboycot, riep de autoloze zondag uit. Voor wie het heeft meegemaakt een dierbare herinnering. In de industriële wereld veranderde de groei in een recessie.

Eind jaren zeventig kwam er opnieuw een olieschok, daarna, in 1987, een koersval aan de beurs, in 1990 weer een olieschok en in 1998 de volgende koersval, de `Aziatische crisis'. De twee olieschokken werden gevolgd door recessie-achtige verschijnselen. Geen van de vijf beproevingen heeft ingrijpende politieke gevolgen gehad. De Westerse systemen en instituten bleken sterk en veerkrachtig genoeg om de schokken op te vangen. Op de recessie van begin jaren negentig is aan deze kant van de wereld een economische bloeitijd gevolgd die zijn weerga niet heeft. De Aziatische crisis is nauwelijks een onderbreking geweest.

Tot dusver is het Westen op den duur uit iedere oliecrisis economisch sterker tevoorschijn gekomen. Hoe komt dat? Onder andere door de voortdurende snelle verandering van de Westerse economieën die de afhankelijkheid van olie hebben doen verminderen; doordat de marktpartijen zich op langere termijn aan elkaar hebben aangepast; in 1998 misschien al door de Nieuwe Economie waarvan niemand de invloed kan becijferen. De verklaringen zijn achteraf minder interessant dan dat het herstel zich voltrok.

Deze eerste Europese olie-opstand is een ingewikkelde zaak. Over het antwoord op de schuldvraag heerst een verbitterd verschil van mening. Hebben de olieproducerende landen het gedaan? Zij verwijzen naar de regeringen die de belastingen heffen. Hebben de regeringen het gedaan? Die verwijzen naar de oliemaatschappijen. Die, op hun beurt, geven de regeringen de schuld. Behalve de Franse, denken die er niet over om toe te geven. De accijnzen zijn een enorme bron van inkomsten waarmee voorzieningen worden betaald die de Europeanen ook niet willen missen. Doordat het beroepsvervoer zijn limiet heeft ontdekt, is West-Europa in een vicieuze cirkel terechtgekomen.

De diepste oorzaak van dit alles is de economische groei, die voortdurend meer energie eist dan de producenten kunnen of willen leveren tegen de prijs waarop de groeiende economieën aanspraak blijven maken. (Een goed voorbeeld is Amsterdam dat aan de vraag naar energie van de elektronische sector nauwelijks kan voldoen). Het verschil tussen de oliecrisis van 1973 en de olie-opstand van 2000 is dat deze moet worden verwerkt door economieën die weergaloos groeien, met een transportbeschaving die zich constant uitbreidt, waarin het dus de zorg van alle overheden is, alles mobiel te houden, en dan lijkt de toestand plotseling op die van bijna een eeuw geleden: de tekening van Albert Hahn (Heel het raderwerk staat stil...).

Een `natuurlijke' beperking van de mobiliteit, onder druk van het prijsniveau, leidt tot stagnatie van het hele organisme en natuurlijk ook tot derving van staatsinkomsten. Bescherming van de mobiliteit via vermindering van de accijnzen heeft op een enigszins andere manier hetzelfde effect. Behalve de beroepsvervoerders in de eerste linie, bevinden de overheden zich binnenkort zelf in een benarde situatie. De Britse en de Nederlandse regering hebben voor de eerste optie gekozen; de Franse voor de tweede; de Duitse weet het nog niet.

Wat gaat er gebeuren? Twee mogelijkheden. Of we krijgen een zachte winter, of we krijgen een strenge. Ironie van de industriële geschiedenis: als het broeikaseffect bijdraagt tot een zachte, zijn we gered, voorlopig. De volgende vraag is, hoe deze maatschappij, hemelsbreed verschillend van die waarin de oliecrisis van 1973 zich voltrok, een zware schok zou verwerken. Toen verkeerden de politieke partijen en de vakbonden nog in goede gezondheid, de organisatiegraad was hoog. Vandaag is iedere mondige, zelfstandige trucker bereid, in zijn eentje zijn tientonner dwars over de weg te zetten, of het hem zal helpen of niet. Of dat het tekenend verschil is tussen toen en nu? De winter zal het leren.