Chloë Sevigny

In een reeks profielen van hedendaagse sterren deze week Chloë Sevigny, de muze van de recalcitrante filmmaker Harmony Korine, die nu te zien is als zwangere balletdanseres in zijn nieuwste film `julien donkey-boy'.

Ze wordt wel omschreven als de streetwise-versie van Grace Kelly. Chloë Sevigny (18 november 1974, Darien, Connecticut) is een even ongenaakbaar meisje van hiernaast als de blonde ijskoningin die prinses werd. Maar Sevigny hoeft niet met een vorst te trouwen om haar eigen koninkrijk te krijgen. Samen met de eigenwijze filmmaker Harmony Korine, in wiens julien donkey-boy ze nu te zien is terwijl ze hoogzwanger pirouettes draait, regeert ze allang over een duister rijk vol geperverteerde sprookjes.

Ze heeft een gezicht om eindeloos naar te kijken. Mooi is het niet, met die enorme neus, die brede mond en die altijd geloken lijkende ogen, waarvan er één een beetje loenst. Maar ze kan zo droef en schuchter kijken, waarbij haar onderlip als vanzelf een beetje bibberend opbolt, alsof ze haar tranen in moet slikken, dat ze die kwetsbare schoonheid krijgt die van alle mannen vaders maakt. In werkelijkheid is zij de moeder, de praktische, die op haar achttiende naar New York vertrok en daar in dumpzaken designerskleding opduikelde, waardoor ze als kostuumontwerpster bij Larry Clarks naar een scenario van Harmony Korine gedraaide controversiële film Kids (1995) aan de slag kon. Haar montere aanwezigheid leverde haar haar eerste filmrol op, als het pubermeisje Jennie dat een nachtlang door New York dwaalt om de jongen die haar ontmaagdde te vertellen dat ze aids heeft.

Sindsdien is ze de infante van de indies. Wie de interessantste onafhankelijke Amerikaanse films van de afgelopen vijf jaar bekijkt, ziet haar naam altijd wel ergens opduiken. Ze was de albinobleke Dot in Gummo (1997), het speelfilmdebuut van Korine voor wie ze sindsdien als muze fungeert en met wie ze een knipperlichtrelatie onderhoudt. Ze stimuleerde hem zelfs een huis te kopen in haar geboorteplaats Darien, ver weg van het New-Yorkse lawaai, waar zij, weer thuis bij haar moeder, een oogje in het zeil kan houden op zijn luimen. De nieuwe John Cassavetes en Gena Rowlands worden ze sindsdien liefkozend genoemd.

Belangrijke bijrollen waren er bijvoorbeeld in Steve Buscemi's regiedebuut Trees Lounge (1996), Palmetto (1998) van Volker Schlöndorff en als een vrouwelijke John Travolta in The Last Days of Disco (1998).

Haar grote doorbraak kwam met Boys Don't Cry (1999), waarin ze de geliefde van een meisje in jongenskleren speelde. Volleerd verveeld slenterde ze over de rode loper van het Filmfestival Venetië. Ze kreeg er een Oscarnominatie voor. De designersjurk en de 18de-eeuwse juwelen die ze ter gelegenheid van de uitreiking van de Academy Awards droeg waren voor het eerst niet tweedehands of geleend.

De twee rollen waarin ze dit najaar in Nederland is te zien, Pearl in julien donkey-boy en de timide secretaresse van seriemoordenaar Christian Bale in American Psycho (Mary Harron), bewijzen dat ze meer is dan alleen maar een meisje met een intrigerend gezicht. Haar acteerstijl is naturel, met een voorkeur voor empathische personages. Geen waanzin zo vreemd, of haar karakters begrijpen dat er altijd ergens een nog grotere krankzinnigheid schuilt.