Zalig zij de paus

Naar aanleiding van de Zaligverklaring van de pausen Pius IX en Johannes XXIII, stel ik het op prijs enkele onjuiste publicaties, ook in deze krant, over de houding van eerstgenoemde ten aanzien van joden recht te zetten. Giuseppe Maria Mastari-Ferretti, die in 1846 onder de naam van Pius IX de pauselijke troon besteeg, was sinds de H. Petrus de eerste paus die zich – naar mijn weten – op een joodse afstamming kon beroepen.

De opsluiting van de Romeinse joden in een getto en de hun opgelegde verplichting wekelijks een preek in een katholieke kerk aan te horen, waren maatregelen van zijn voorganger Leo XII (1821-1829); zij werden door hem direct afgeschaft. Pius IX zorgde er zelfs voor dat ook zijn joodse onderdanen konden delen in het door hem ingestelde charitatieve fonds.

In de eerste jaren van zijn pontificaat ontpopte hij zich als een vooruitstrevende bestuurder, die in de kerkelijke staat veel sociale verbeteringen invoerde en op ruime schaal amnestie verleende aan gevangenen. Vanwege zijn `liberale' politiek bestempelde Metternich hem als een ramp voor Europa, dit in tegenstelling tot protestantse staatslieden uit Noord-Europa, die hem (aanvankelijk) loofden. Zijn voorganger Gregorius XVI had hem toen reeds gekenschetst als een man, wiens katten zelfs liberaal waren.

De ommekeer in zijn houding werd veroorzaakt door de bezetting van de kerkelijke staat door de Italiaanse bevrijdingslegers onder leiding van Garibaldi, Mazzini en Cavour. Van de weeromstuit keerde Pius IX terug tot de conservatieve opvattingen van zijn voorgangers, die het verbond van `troon en altaar' trouw gebleven waren.

Zijn reactionaire standpunten verwoordde hij in de Encycliek `Quanta Cura' (1864) met de daarbij behorende `Syllabus Errorum'. Daarin werd onder meer de opvatting bestreden dat niet-katholieken het recht hadden hun eigen godsdienst te belijden; een opvatting die een eeuw later uitdrukkelijk erkend werd door paus Johannes XXIII. Aan het eind van zijn pontificaat heeft Pius IX, toen hij de dood vernam van de Italiaanse staatsman Cavour, zijn vroegere tegenstander van harte vergeven, daarbij de wens uitsprekend dat ook God hem vergeven zou. Ondanks alle wisselvalligheden in zijn dramatische pontificaat is hij steeds de zachtzinnige, vrome en sober levende priester gebleven, die door vernieuwingsgezinde kardinalen in een roerig tijdperk op de pauselijke troon verheven werd.