Verheugen stelde de juiste vraag

Europees commissaris Günter Verheugen heeft op de verkeerde manier het goede willen zeggen: over de uitbreiding van de EU moet beter worden geïnformeerd en meer worden gedebatteerd, meent Josef Joffe.

Wat heeft die brave Günter V. eigenlijk misdreven? Goed, hij heeft opgeroepen tot een referendum voor een geval zonder precedent – de uitbreiding van de EU – en dan nog wel in een land, Duitsland, waarvan de grondwet zo'n volksraadpleging niet eens toestaat. Engeland, Spanje enzovoort zijn ook niet bij Europees plebisciet toegelaten, en de Bondsrepubliek heeft op goede democratisch-theoretische gronden in haar grondwet geen plaats ingeruimd voor het (landelijk) referendum.

Is daarmee het debat voorbij? Nee, want pas ná het grondwettelijk verbod wordt het interessant. Verheugen heeft met zijn `ongrondwettelijke' voorstel een middelgroot rotsblok in troebel water gegooid en daarmee een zeker onbehagen losgewoeld waardoor vele – en juist de goede – Europeanen sinds lang worden gekweld. Terwijl minister van Buitenlandse Zaken Fischer het heeft over de `finaliteit', dus over het einddoel van de reis, dringt de vraag naar de gevoelsmatige beleving ervan zich steeds sterker op: hoe is het in ons hart met Europa gesteld? In plaats van `beleving' zouden wij ook kunnen spreken van `legitimiteit': ja, dáár willen wij heen – met alles wat erbij hoort: afgelopen met de soevereiniteit, de staat wordt gedenationaliseerd en onze trouw aan de natie wordt van Rome, Parijs en Berlijn overgedragen op Brussel.

De klassieke integratiereis verliep andersom: stap nu eerst maar in, dan zien wij wel verder. De grondleggers, de `functionalisten' à la Monnet, hadden heus wel van alles in het achterhoofd: als wij nu maar beginnen met kolen en staal, dan zal onvermijdelijk ook de agrarische sector met de integratie gaan meedoen, daarna heel de maatschappelijke handel en wandel, dan de nationale wetgeving, dan het geld... Aan de hand van deze onuitgesproken strategie is Europa inderdaad heel aardig voortgeboemeld. Maar had iemand de volkeren in 1950 gezegd dat zij vandaag alleen nog maar hun kolen- en staalindustrie hoefden te europeïseren, maar overmorgen ook hun geld, dan waren zij gillend het station uitgevlucht.

Nu stokt die reis door de nevelen, en met iedere mijl groeit het onbehagen – dat wilde de commissaris voor de uitbreiding ons alleen maar zeggen. Of er nu sprake is van `finaliteit', `voorhoede', `massale uitbreiding' of `statenbond', wij, de goede Europeanen, die overigens vanzelfsprekend Polen en de anderen erbij willen hebben, moeten oppassen dat wij, terwijl wij in de locomotief kolen op het vuur gooien, niet achter onze rug de passagiers loskoppelen.

Hè? Nu wordt het ingewikkelder dan Verheugen denkt. Als er referenda bestonden, dan zou de Euro-elite inderdaad naar de gunst van `wij, het volk' moeten dingen. Maar referenda zijn uit. Hoe moet je een debat op gang brengen als de partijen het eigenlijk roerend met elkaar eens zijn? Het is voor onze afgevaardigden heus eenvoudiger om van de nevel te profiteren om het vage onbehagen aan het gezicht te onttrekken. Maar wie in de mist rijdt en deze zelf ook nog verbreidt, riskeert dat in zijn kielzog muiterij uitbreekt. Lafheid in het aangezicht van het volk levert op den duur weinig op.

Laten wij Günter V. dus maar dankbaar zijn, al heeft hij zich allang weer in zijn commissiehuisje teruggetrokken. Want hij heeft op de verkeerde manier de juiste, de onontkoombare vraag gesteld. Die wij bij dezen doorgeven aan de heren Fischer, Schröder en hun collega's: ,,Zeg ons: waarheen, hoe en waarom? Lok de christen-democraten, eens de vaandeldragers van de integratie, uit hun eveneens benevelde huisjes; dwing hen, hun vocabulaire van rookgordijnen te zuiveren en de walm van hun ambtelijk taalgebruik weg te blazen.'' Of er dan ruzie komt? Allicht, maar op het scherp van de snede ligt de waarheid, en bij herrie gedijt de democratie. Of durven onze regenten het niet aan om het soevereine volk uit te leggen waarom de uitbreiding naar het oosten juist voor de Bondsrepubliek belangrijk en gewenst is?

Josef Joffe is uitgever van Die Zeit. © Die Zeit