Pionier van de popfotografie

Enkele weken voor de opening van zijn overzichtstentoonstelling in de Melkweg Galerie in Amsterdam overleed afgelopen zondag fotograaf Nico van der Stam, een van de pioniers van de Nederlandse popfotografie. Hij werd 75 jaar.

De autodidact Van der Stam was in de naoorlogse jaren een veelgevraagd fotograaf. Zoals veel van zijn generatiegenoten was hij een alleskunner. Hij illustreerde reisverhalen, deed productfotografie voor de Bijenkorf, maakte reportages over schoenenpoetsers en ministers, deed zoals hij het ooit omschreef ,,vechtpartijen op straat, danseressen, jongens die een auto in elkaar beuken.'' Maar zijn grootste bekendheid dankt hij aan de foto's die hij in de jaren zestig maakte voor platenmaatschappijen en voor tijdschriften als Muziek Express, Twen en Hitweek. Wie in die jaren schoolging, herinnert zich ongetwijfeld zijn foto's uit de Rijam agenda: van Rod Stewart, David Bowie, Frank Zappa en Jimi Hendrix, en van Nederlandse groepen als Q65, Shocking Blue en De Bintangs. Foto's die als geen andere de eerste, onwennige schreden documenteren van de vertegenwoordigers van de nieuwe `jongerencultuur'. Als een van de eersten maakte Van der Stam zijn foto's ook buiten de studio; zo fotografeerde hij De Bintangs tegen een achtergrond van slooppanden en portretteerde in 1967 een verlegen Jimi Hendrix voor de ingang van het Lurelei-theater. Tijdens het roemruchte optreden van de Rolling Stones in Scheveningen (1964) klom hij zelfs op het podium, wat historische opnames opleverde.

Tegelijkertijd fotografeerde Van der Stam ook schrijvers als Godfried Bomans en G.K. van het Reve, voetbalscheidsrechter Leo Horn en musici, zangers en cabaretiers. Zo legde hij een in gedachten verzonken Willy Walden vast, staand tegenover schaars geklede danseressen. En als enige wist hij de repetitie te fotograferen van het optreden van Marlene Dietrich in het Kurhaus: hij verstopte zich tussen de stoelen in de zaal, Dietrichs verbod op de aanwezigheid van fotografen brutaalweg negerend. Hoewel glamour in die foto's een rol speelde, onderscheidde Van der Stam zich door zijn oog voor het persoonlijke detail. Ook de afgetrapte schoenen van Edith Piaf en het zachtmoedige achterhoofd van Tom Manders (Dorus) ontsnapten niet aan zijn aandacht.

Van der Stam – geboren in Rotterdam, maar het grootste deel van zijn werkzame leven woonachtig in Amsterdam – maakte zijn eerste foto's in de oorlog. Met een Kodak boxje fotografeerde hij mensen op straat, liet de foto's afdrukken bij de drogist en verkocht het resultaat met winst. Aanvankelijk combineerde hij het fotograferen met zijn werk als tolk Spaans, maar in het begin van de jaren vijftig besloot hij zich alleen op de fotografie toe te leggen. De fijne kneepjes leerde hij in de praktijk. Hij werkte vooral met zijn intuïtie, placht hij te zeggen. Zo ontdekte hij pas na drie maanden dat er ook een belichtingsmeter zat in een nieuw aangeschafte camera – hij was gewend te belichten `met zijn ogen'. In 1991 stopte Van der Stam om gezondheidsredenen met werken. Hij maakte in zijn leven ruim een miljoen foto's; de ene helft in kleur, de andere helft (inmiddels in beheer bij het Maria Austria Instituut in Amsterdam) in zwart-wit. Samen vormen ze een ongekend beeldarchief van de culturele veranderingen in het naoorlogse Nederland.