Numerus fixus

Ondanks recente investeringen wil het maar niet lukken de problemen in de gezondheidszorg op te lossen. De wachtlijsten nemen nauwelijks af. De kwaliteit van de zorg wordt in een recent onderzoek minder goed beoordeeld dan voorheen. Zowel in huisartsenpraktijken als in ziekenhuizen wordt het tekort aan artsen steeds nijpender. Van verschillende zijden wordt er dan ook op aangedrongen de opleidingscapaciteit voor artsen uit te breiden. Sommigen stellen zelfs een opheffing voor van de op basis van verouderde arbeidsmarkt overwegingen ingestelde numerus fixus. Dit laatste lijkt mij niet verstandig.

Twee andere zaken dienen te worden overwogen. In de eerste plaats een verkorting van de basisopleiding. Door een verkorting van de basisopleiding met bijvoorbeeld één jaar kan de productiecapaciteit bij gelijkblijvende opleidingscapaciteit in één klap twintig procent groter worden. Basisartsen kunnen dan ook eerder dan thans met eigen verantwoordelijkheden in het kader van een meer beroepsgerichte vervolgopleiding worden ingezet.

In de tweede plaats kan gedacht worden aan meer verticale substitutie van zorg. Op dit moment doen huisartsen en medisch specialisten nog veel taken die even goed – soms zelfs beter – door daartoe speciaal opgeleide zorgkundigen kunnen worden verricht. De verloskundige zorg is daarvan een evident voorbeeld. Er zijn tal van andere activiteiten in de zorg, met name rond de begeleiding van chronisch zieken, waarbij de vraag gesteld kan worden of daarvoor wel een volledige en dus langdurige huisarts of medisch specialistische opleiding noodzakelijk is. Met deze mogelijkheden wil ik niet beweren dat er geen uitbreiding van de opleidingscapaciteit voor artsen noodzakelijk is. Evenmin dat geen extra investeringen nodig zouden zijn. Die zijn zeker nodig.

Ik pleit voor een planmatig gebruik van die extra investeringen en een structurele herziening van de zorg. Niet voor steeds meer van hetzelfde.