Niet ruim genoeg

DE HEDENDAAGSE Nederlandse architectuur wordt wereldwijd bewonderd. Nederland geldt als een architectonisch gidsland, waar dankzij Rem Koolhaas, Ben van Berkel, Kees Christiaanse en, in hun kielzog, jonge architectenbureaus als MVRDV en West 8 de eenentwintigste eeuw al in de jaren negentig van de twintigste eeuw begon. De `tweede moderniteit', zoals de gevolgen van de nieuwe informatietechnologie en de mondialisering wel worden genoemd, is in de architectuur nergens zo zichtbaar als in het dichtstbevolkte land van Europa, zo geloven buitenlandse critici.

Op dit beeld van Nederland als `hypermodern' architectuurland valt veel af te dingen. De buitenlandse critici staren zich blind op de kleine groep architecten die het aanzicht van Nederland slechts voor een klein deel bepalen. Zo werd vorige week niet een van de bewonderde `hypermoderne' architecten benoemd tot rijksbouwmeester, maar de postmodernist Jo Coenen. En wie met een onbevangen blik door Nederland rijdt, ziet naast de `hypermoderne' dozen ook brandnieuwe historiserende stadscentra, neoclassicistische nieuwbouw, woningen in `jaren-dertig-stijl', neomodernistische rijtjeshuizen, traditionalistische huizenblokken en stijlloze catalogushuizen.

IN DE PLURIFORME Nederlandse architectuur vallen twee fenomenen op: de bedrijventerreinen en de Vinex-wijken die in adembenemend tempo overal langs de Nederlandse snelwegen omhoogschieten. Zij bepalen het ware aanzicht van het nieuwe Nederland. De Nederlandse bedrijventerreinen zijn niet anders dan die in het buitenland. Het zijn ongetwijfeld rendabele, maar verkwistende ruimtevreters. Slechts 45 procent van deze terreinen is bebouwd, en dit wordt niet gecompenseerd door hoogbouw. De grote meerderheid van de bedrijfsgebouwen bestaat uit ongeïnspireerde opeenstapelingen van elementen uit de nieuwste catalogus, die al gedateerd zijn voor ze zijn opgeleverd.

De Vinex-wijken zijn wel een typisch Nederlands fenomeen: ze zijn het resultaat van het poldermodel. In de geest van de privatiseringsgedachte die het afgelopen decennium veel overheidsbeleid heeft bepaald, worden de meeste Vinex-woningen niet met staatssubsidies gebouwd door woningbouwcorporaties, maar door projectontwikkelaars tegen marktconforme prijzen. Maar de plekken dichtbij de grote steden waar deze projectontwikkelaars mogen bouwen, werden begin jaren negentig door de rijksoverheid vastgelegd in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex). Ook schreef de overheid een bebouwingsdichtheid voor van ongeveer 35 woningen per hectare om recht te doen aan de `compacte stad', de leidende gedachte van de Vierde Nota. Hierdoor is in de Vinex-wijken nauwelijks plaats voor de vrijstaande huizen waarvan de meeste Nederlanders dromen. Rijtjeshuizen overheersen: in dit opzicht wijken de Vinex-wijken niet af van de buitenwijken uit de jaren zeventig en tachtig.

BEGIN JAREN NEGENTIG konden de `compacte stad' en Vinex rekenen op veel bijval. Maar sinds een paar jaar geleden de eerste van de miljoen Vinex-huizen werden opgeleverd, barstte de kritiek los. De Vinex-wijken zijn monotoon, beweren de critici, en de huizen zijn te duur en te klein en de tuinen te armzalig. Vinex is een scheldwoord geworden.

Voor een deel is dit het gevolg van het kuddegedrag van de Vinex-critici die elkaars argumenten klakkeloos overnemen. Maar zoals een reis door Nederland iets heel anders laat zien dan een `hypermodern' Nederland, zo levert een reis door Vinex-land een andere indruk op dan de critici geven. Net zomin als kan worden gesproken van dé Nederlandse architectuur, bestaat dé Vinex-wijk. De Vinex-wijk varieert een compleet dorp in een gefingeerde `oud-Brabantse' stijl tot een lustoord voor `hypermoderne' architecten. Nog nooit was de variatie in de Nederlandse buitenwijken zo groot als nu in de Vinex-wijken tot stand komt. Dat achter al die verschillende gevels bijna altijd variaties op het aloude rijtjeshuis schuilgaan, is geen groot bezwaar. Het rijtjeshuis is tenslotte een ijzersterk type, dat zijn waarde in eerdere buitenwijken heeft bewezen en onverminderd populair is.

TOCH HEBBEN de Vinex-wijken één groot gebrek: ze hebben een buitengewoon star karakter. Alles in de Vinex-wijken, van het winkelcentrum tot de woning, is tot in detail bepaald door de coalitie van architecten, stedenbouwers, projectontwikkelaars en overheid. Bovendien is de inbreng van de Vinex-bewoners in hun huizen tot een minimum beperkt. Als ze al iets aan hun huis kunnen veranderen, gaat het om niet meer dan een serre of een bescheiden opbouw. De Nederlandse Vinex-wijken kennen dan ook niet de flexibiliteit van bijvoorbeeld de ruim opgezette Amerikaanse suburbs met hun vrijstaande huizen. Niet alleen zijn de Amerikaanse huizen gemakkelijk uit te breiden en te veranderen, ook blijken de suburbs nieuwe bevolkingsgroepen op te kunnen nemen en zijn ze in staat ruimte te geven aan allerlei onvoorziene, nieuwe activiteiten. Zo is het merendeel van de Amerikaanse IT-bedrijven gevestigd in suburbs als Silicon Valley: de IT-revolutie is in Amerika een suburbane revolutie. In de Nederlandse buiten- en Vinex-wijken is zoiets door de gedetailleerde vormgeving nauwelijks mogelijk. Op de lange termijn is dit een gevaar voor de vitaliteit van de Nederlandse buitenwijken.