Niet nodig pen en papier

In deze klas zitten leerlingen uit Afghanistan, Ethiopië, de Filippijnen, Ghana, Guinee, India, Liberia, Maleisië, Pakistan, Sierra Leone, Turkije en Sri Lanka. Soms, en het pleit misschien niet voor me, verdenk ik mezelf ervan ze ergens toch als ietwat achterlijk te beschouwen. Al zou ik 'm nooit durven verdedigen, ergens in mij wortelt de overtuiging dat deze leerlingen achterlopen op mij.

Want, luister ik niet daarom zo geamuseerd naar hun meningen? Ik hoor de meisjes graag zeggen, giechelend maar beslist, dat nee, mannen natuurlijk niet aanwezig mogen zijn bij een bevalling, hij wacht maar buiten. En nee, ook geen mannelijke dokter daarbij, d'r zijn toch vrouwen die kunnen helpen, die kunnen dat heel goed. Even graag hoor ik de jongens verkondigen dat je je vrouw beter niet alleen de deur uit kan laten gaan, ook niet voor boodschappen nee, trouwens, waarom zou je, je kan toch zelf boodschappen doen?

Alles wat mijn leerlingen raar vinden - aan mij, aan Nederlanders, aan Nederland - en soms zelfs verachtelijk (een vrouw trouwen die geen maagd meer is) draag ik met geheven hoofd. Terwijl ik in de regel toch wel gevoelig ben voor wat anderen van mij vinden. Het moet dus wel zo zijn dat ik mij heimelijk superieur waan, in cultureel opzicht - niet op het persoonlijke vlak. Ik zie bij mijn leerlingen genoeg gaven, talenten, eigenschappen die mij benijdenswaard of sympathiek voorkomen, en die ik zelf - ik ben inmiddels oud genoeg om dat te weten - niet bezit, of niet in die mate.

Vandaag echter wordt voor iedereen duidelijk dat ik degene ben die achterloopt. De leerlingen uit deze klas, uit de landen die ik eerder noemde, zijn hier nog maar kort, hooguit een half jaar. Ze zijn wat ouder, zestien, zeventien, achttien jaar en de meesten zitten hier zonder familie (alleenstaande minderjarige vluchteling). De hele zomer al, maar dit tussen haakjes, komen ze vrijwillig naar onze `zomerschool' - een programma dat wij speciaal voor hen hebben georganiseerd, voor leerlingen voor wie het begrip `zomervakantie' nog niet zoveel zegt.

Voor hen blijkt zo'n programma welkom, al was het maar als afleiding, en voor mij is het prettig eens met leerlingen te werken die nergens toe gedwongen hoeven worden. De sfeer in de klas is ontspannener en er is meer ruimte voor conversatie, het wordt niet onmiddellijk een puinhoop. Dat ik degene ben die achterloopt, blijkt als we zinnen gaan oefenen die een telefoongesprek vergemakkelijken, standaardzinnen.

Voor die oefening vraag ik Vijaj uit Sri Lanka de Filippijnse Christina te bellen. ,,Bel haar'', zeg ik tegen hem, ,,en vraag haar om het telefoonnummer van haar broer, want je wil hem uitnodigen voor je verjaardag.'' Vijaj aarzelt: moet hij Christina nu werkelijk bellen, of... Met één hand houdt hij zijn mobiele telefoon in de lucht en hij kijkt mij vragend aan.

Dat hij kan denken dat hij haar werkelijk moet bellen vind ik grappig, en de klas blijkbaar ook, want iedereen lacht. ,,Nee, doe maar gewoon met je hand'', zeg ik, en ik doe het voor: duim naast mijn oor, pink voor mijn mond. Om het oefenen te laten beginnen zeg ik direct maar `tring tring', wat Christina begrijpt. Ze neemt een denkbeeldige telefoon op.

- Hallo?

- Hallo Christina, hoe gaat met jou?

- Wie ben jij?

- Ik ben Vijaj, jij hoort niet mijn stem?

- Ik hoor jouw stem maar ik niet weten jij bent Vijaj.

- Sorry ik vergeet. Christina, ik wil vragen jou, heb jij telefoonnummer van jouw broer. Ik wil bellen. Ik heb verjaardag.

- Mijn broer, ja ik heb telefoonnummer. Eh...

Ik begrijp waarom Christina aarzelt en leg haar uit dat je kunt vragen, als je op het punt staat een telefoonnummer te geven: ,,Heb je pen en papier bij de hand?'', of gewoon: ,,Heb je een pen?'' Dat is nou zo'n standaardzinnetje dat handig is om te weten.

- Jij hebt pen? vraagt Christina.

- Niet nodig pen, zegt Vijaj, ik heb telefoon.

,,Wacht even'', kom ik er weer tussen. ,,Vijaj, jij denkt dat jij dat telefoonnummer kan onthouden?'',,Niet nodig onthouden'', zegt Vijaj, ,,ik heb telefoon, ik kan in telefoon zetten.''

De klas lacht en ik denk: natuurlijk, dat kan op een mobiele telefoon, een naam en een nummer in het geheugen toetsen. Van het ene op het andere moment voel ik me erg ouderwets met dat `heb je een pen bij de hand' en ik zie in de ogen van mijn leerlingen, die bijna allemaal een gsm hebben, een zekere vertedering. Toch geef ik me nog niet gewonnen. ,,Maar je kan toch niet tegelijk naar Christina luisteren, met de telefoon aan je oor, en dat nummer intoetsen? Het lijkt me toch handiger het eerst even op te schrijven.''

,,Maar kan zetten groot geluid'', zegt Vijaj, alsof het allemaal even vanzelfsprekend is, en de leerlingen lachen weer. ,,Wacht, jij gaat zien meneer.'' Hij haalt zijn gsm uit zijn zak, vraagt Christina ,,wat jouw nummer?'' en belt haar onmiddellijk. Tot mijn verbazing herhalen ze met hun mobiele telefoons het hele gesprek en op het moment dat Vijaj vraagt ,,Wat is nummer van jouw broer?'' verzint Christina - alsof ook dat weer vanzelfsprekend is - een 06-nummer. Met de knop `groot geluid', die Vijaj nu zo demonstratief indrukt dat dat mij niet kan ontgaan, kunnen wij allemaal Christina's stem horen, zowel live als via Vijajs telefoon. Met dat zij het nummer noemt, toetst Vijaj het in het geheugen. Na de demonstratie is de sfeer in de klas uitgelaten en zit ik er ietwat verslagen bij.

,,Jij moet ook kopen meneer'', zegt Vijaj troostend, terwijl hij zijn gsm weer in zijn broekzak stopt. ,,Alles heel maklijk. Niet nodig pen en papier.''