Krijgsmacht wil ambitie waarmaken

De landmacht kan steeds moeilijker soldaten krijgen. Een discussie over het `ambitieniveau' wordt onafwendbaar. Maar dat probleem ligt meer bij de politiek dan bij de militairen.

Luitenant-admiraal Luuk Kroon, chef Defensiestaf (CDS) en de hoogste militair van het land, leunt achterover en vouwt de vingertoppen tegen elkaar. Op de koffietafel voor hem in zijn statige werkkamer op het departement aan het Haagse Plein 4 ligt een A4'tje met de laatste wervingscijfers van de Koninklijke Landmacht (KL).

Die zien er niet zo mooi uit.

Het gesprek is tot dan toe gegaan over aanstellingsbehoefte, aanstellingsopdracht, al dan niet geplande begrotingssterkte en nog veel meer termen die de problematiek vooral ondoorzichtig maken. Maar de harde realiteit, zo toont het A4'tje, is dat van de 4.500 Beroepsmilitairen Bepaalde Tijd (BBT'ers) die de landmacht dit jaar had willen hebben, er tot nu toe maar 1670 geworven zijn.

De CDS staart naar het plafond: ,,Personeelstekort leidt tot een hogere werkdruk en een slecht imago als werkgever. Dat kan er voor zorgen dat de organisatie leegstroomt. Zo'n negatieve spiraal moeten we absoluut voorkomen.''

Dat is natuurlijk waar. Maar de vraag is of de krijgsmacht, en met name de landmacht, niet allang in die negatieve spiraal zit. En of de ware omvang en ontwikkeling van het probleem de afgelopen jaren wel voldoende transparant voor het voetlicht is gekomen. Gisteren erkende Defensie dat er ,,onheldere cijfers'' over de wervingsproblematiek zijn verstrekt. En er blijven veel vragen over. Hoeveel soldaten vervullen bijvoorbeeld ná de opleiding daadwerkelijk hun functie? Hoeveel van hen kiezen voor een gevechtspositie? En wat heeft dat voor gevolgen voor de inzetbaarheid?

De CDS gaat er niet gedetailleerd op in. Wel wil hij graag zijn ,,vertrouwen'' uitspreken dat ,,de dalende tendens wordt omgebogen''. De 200 miljoen extra die het departement aan personeelsbeleid mag uitgeven, moet daar bij helpen. Maar als dat niet lukt, zo erkent Kroon, en de negatieve lijn zet zich door, ,,dan komt het ambitieniveau op termijn onder druk te staan''.

Het ambitieniveau.

Een bijna magisch woord in het huwelijk tussen krijgsmacht en politiek. Het begrip werd in 1993 geïntroduceerd, bij het verschijnen van de Prioriteitennota. De dreiging uit het Oosten was sinds de val van de Muur verdwenen en de krijgsmacht kon worden ingekrompen. Belangrijke reducties en de opschorting van de opkomstplicht voor dienstplichtigen waren het gevolg. Tegelijkertijd werden `vredesmissies' in VN-verband verheven tot de belangrijkste taak van de krijgsmacht. Nederland zou er continu aan vier moeten kunnen deelnemen, waarvan de landmacht er twee voor zijn rekening moest kunnen nemen.

Ondanks de reorganisaties bleef er voor een klein land als Nederland toch nog een omvangrijke krijgsmacht over, met een divisie die werd ondergebracht in een Nederlands-Duits legerkorps, een grote luchtmacht en een marine die in Europa qua omvang alleen wordt overtroffen door die van het Verenigd Koninkrijk.

Defensie tevreden, politiek tevreden. De krijgsmacht bleef bestaansrecht houden, internationaal zou Nederland haar partijtje kunnen meeblazen. De discussie over de vraag hoe reëel het ambitieniveau eigenlijk was, werd nauwelijks gevoerd. Het aantal van vier vredesoperaties werd vooral verdedigd met de stelling dat ,,dat aantal bij een land als Nederland paste''. En waarschuwende geluiden van de commissie-Meijer, die eerder had onderzocht wat de effecten van een afschaffing van de dienstplicht zouden zijn, kwamen in een diepe la terecht. Meijers conclusie dat er, zeker bij een oplopende conjunctuur, heel moeilijk militairen voor een beroepsleger te werven zouden zijn, werd genegeerd.

In de jaren daarna voldeed de krijgsmacht inderdaad aan het ambitieniveau. Duizenden landmachtmilitairen maakten deel uit van de vredesmacht SFOR in Bosnië. Toen KFOR in juni 1999 Kosovo binnentrok, had de landmacht zelfs ruim 3.000 mensen in het buitenland gestationeerd. De Gele Rijders, met hun operette-achtige kwartiermutsen, werden een begrip voor de Nederlandse televisiekijker. Prima werk, zo constateerde landmacht-bevelhebber Schouten tevreden in zijn millenniumboodschap. En hij zei er, veelbetekend, nog iets bij: door de `piekprestatie' in Kosovo had de landmacht zijn toekomst voorlopig veiliggesteld.

Maar ondertussen was het toen al schuiven, schrapen en improviseren voor de KL, waar het personeelstekort steeds meer begon te knellen. De M109-houwitsers van de Gele Rijders in Orahovac zagen er dreigend uit, maar werden alleen ingezet bij gebrek aan gevulde tankeskadrons, die al in Bosnië waren gestationeerd. En het genie-hulpbataljon in Prizren werd haastig bij elkaar geschraapt uit 52 verschillende eenheden. Vandaag de dag is de situatie nog nijpender. Door de tegenvallende werving staan steeds meer eenheden ,,in het rood'', zoals luitenant-generaal M.Urlings het omschrijft in een rapportage over de inzetbaatheid van het Nederlands-Duitse legerkorps, waarin bijna alle landmachtroepen zijn ondergebracht. De commandant schetst de negatieve spiraal waar de Chef Defensiestaf zo bang voor is: ,,Ik constateer dat de vele reorganisaties en uitzendingen van de afgelopen jaren, in combinatie met de vele vacatures en snelle functiewisselingen, hebben geleid tot een verdere stijging van de werkdruk en lagere niveaus van geoefendheid.''

Zo komt het ambitieniveau steeds meer onder druk te staan. Daarbij lijkt het onvermijdelijk dat de politieke discussie over de omvang van de krijgsmacht en dus over de Nederlandse aspiraties in de wereld, alsnog moet worden gevoerd. Tot die tijd moeten de militairen op Plein 4, schuin tegenover de Tweede Kamer, lijdzaam afwachten.

Dit was het laatste deel van een drieluik over de personeelsproblemen bij de landmacht. Voorgaande delen stonden in de krant van 9 en 11 september.