Grote Nederlandse export vreet energie

De toenemende verwevenheid van Nederland met de buitenwereld maakt het steeds lastiger om vast te stellen of het milieu in eigen land nu beter of slechter wordt, zo blijkt uit de gisteren gepubliceerde milieubalans.

Slechts weinigen staan er bij stil dat de buitenlandse handel, waarmee Nederland ruwweg de helft van zijn inkomen verdient, ook een schaduwzijde kent. Zo vergt de exportsector naar verhouding buitensporig veel energie, waardoor Nederland is blootgesteld aan extra uitstoot van CO2 en andere zogeheten broeikasgassen. Vooral de chemische industrie en de metaalnijverheid spelen hierbij een kwalijke rol.

Voor de producten die Nederland invoert is drie keer zo weinig energie nodig, zo berekende het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in zijn gisteren gepresenteerde Milieuverkenning voor de periode 2000-2030. Volgens de deskundigen van het RIVM zal deze tendens zich de komende decennia voortzetten.

Ook houdt meer dan de helft van de uitstoot van verzurende stoffen in Nederland verband met buitenlandse consumptie. Het gaat onder meer om de uitstoot van ammoniak in de landbouw maar ook om de uitlaatgassen van vrachtwagens van transportbedrijven en de activiteiten van energiebedrijven. Liefst 80 procent van het stikstofoverschot in de landbouw is het gevolg van productie voor de export, zo concludeert het RIVM.

Hier staat tegenover dat het RIVM in zijn gisteren eveneens gepresenteerde Milieubalans 2000 een welkom nieuwtje kon brengen: de uitstoot van CO2 is in 1999 voor het eerst sinds jaren met 2 procent verminderd ten opzichte van het jaar daarvoor. Bij nadere beschouwing blijkt deze vermindering echter vooral te danken aan het feit dat Nederland plotseling veel meer stroom uit het buitenland is gaan importeren, in het bijzonder uit Duitsland en Frankrijk.

Daarom draaien die laatste twee landen volgens de internationale regels op voor de CO2-uitstoot die met die stroom gepaard gaat. Op het eerste gezicht mag dit een boekhoudkundig detail lijken, maar het speelt een grote rol bij het opmaken van de balans van het klimaatverdrag van Kyoto. Dat schrijft elk ontwikkeld land immers bepaalde verminderingen in de uitstoot van CO2 en vijf andere broeikasgassen voor. Landen die veel elektriciteit exporteren zijn hierbij in het nadeel.

Het RIVM tekende hierbij overigens aan dat de Nederlandse uitstoot van CO2 de komende jaren waarschijnlijk toch weer zal toenemen. Hoofdschuldige daarbij is het wegverkeer en de almaar toenemende mobiliteit: tegen 2030 zal het wegverkeer 60 tot 90 procent meer CO2 uitstoten dan in 1995. Weliswaar worden de motoren steeds zuiniger, maar dit wordt weer te niet gedaan door het feit dat de auto's steeds zwaarder en luxer worden, waardoor juist weer meer brandstof nodig is.

De conclusies van het RIVM bevatten voor elk wat wils. VVD-milieuwoordvoerder Klein Molekamp was er als de kippen bij om de vooruitgang te bejubelen. ,,Zelfs de CO2-uitstoot in ons land is in het voorbije jaar afgenomen'', liet hij weten. ,,De VVD vindt dat Nederland zich beslist niet hoeft te schamen voor zijn milieuprestaties.'' Het RIVM zou een wat ,,meer positieve toonzetting'' hebben gepast, aldus de VVD'er.

Zijn collega Feenstra van de PvdA ademt een andere geest. Het milieu gaat er in Nederland te weinig op vooruit, stelt hij somber vast. Nederland moet zich, samen met andere Europese staten, harder inspannen om hierin verandering te brengen.

Nog weer een octaaf lager zingt Milieudefensie. Nederland dreigt de afspraken van Kyoto te schenden. Daarom moet Nederland al voor november, wanneer het als gastheer optreedt voor een grote klimaatconferentie van de Verenigde Naties, een nieuwe reeks maatregelen afkondigen om de CO2-uitstoot te beperken. Daarom moeten grootverbruikers van energie een eco-tax gaan betalen, moet er meer werk worden gemaakt van duurzame energie (door gebruikmaking van wind en zon) en moet de maximumsnelheid op de wegen beperkt blijven tot honderd kilometer per uur.