Geef ouders vrijheid om zelf de schoolkeuze te bepalen

Het recht van bijzondere scholen om leerlingen te weigeren, leidt ertoe dat het openbaar onderwijs een vergaarbak van problemen wordt. Bijzondere scholen zouden daarom ook de plicht moeten hebben alle leerlingen te accepteren, meent Ursie Lambrechts.

Vorige week werden we opgeschrikt door een tweetal incidenten die pijnlijk duidelijk maken dat de landelijke politiek zich niet langer afzijdig kan houden als het gaat om het recht van ouders om zelf een school voor hun kind te kiezen. In Deventer hielden Turkse ouders hun kinderen een dag thuis, omdat zij hen liever op witte of gemengde basisscholen geplaatst zien. In Soest wilde het gemeentebestuur door het sluiten van drie openbare scholen, de katholieke en protestants-christelijke scholen in diezelfde wijk dwingen allochtone kinderen op te nemen. Beide incidenten tonen aan dat ons onderwijsbestel op een belangrijk onderdeel aan vernieuwing toe is.

In artikel 23 van de Grondwet is de vrijheid van onderwijs geregeld. Wie echter denkt dat daarmee ook ouders vrij zijn om hun kinderen naar een school van eigen keuze te sturen, vergist zich. De scholen bepalen immers wie toegelaten wordt, althans wanneer zij van bijzondere signatuur zijn.

Lange tijd deed dat gemis aan een vrije schoolkeuze zich niet of nauwelijks voelen. Maar nu de samenstelling van de bevolking in de wijken niet langer homogeen is, en het aantal kinderen met onderwijsachterstanden en psycho-sociale problemen fors is toegenomen, lijkt die situatie te kenteren. Steeds vaker worden wij geconfronteerd met voorbeelden van ouders wier kinderen niet worden toegelaten op de school van hun keuze. Veelal betreft het allochtone ouders die de voorkeur geven aan een confessionele school boven een openbare school, omdat deze `witter' is en zodoende meer geschikt voor kinderen met een taalachterstand.

Het gaat echter niet alleen om allochtone ouders die een geschikte school zoeken voor hun kind, zoals in Deventer en Soest. Onlangs speelde een soortgelijke kwestie in Limburg, waar een drietal autochtone kinderen de toegang tot het Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (Vmbo) werd geweigerd, ofschoon zij een redelijke Cito-toets hadden gemaakt en de directeur van de basisschool positief had geadviseerd. Waarom de school deze kinderen meende te moeten weigeren is niet duidelijk, behalve dat het ook hier ging om kinderen die wat extra hulp en aandacht nodig hadden. Aangezien in Limburg nauwelijks openbaar onderwijs – dat immers niemand mag weigeren – voorhanden is, betekent het dat deze kinderen op straat staan. Twaalf jaar en buitengesloten. Wat dat voor effect heeft op de kinderen zelf, die heel goed door hebben dat zij niet welkom zijn, laat zich raden.

Ongetwijfeld speelt het lerarentekort de bijzondere scholen parten. Evenals de vrees dat kinderen met gedragsproblemen niet meer van school verwijderd kunnen worden. Maar dat is voor het openbaar onderwijs helaas niet anders. Selectie aan de poort van het bijzonder onderwijs leidt ertoe dat het openbaar onderwijs een vergaarbak wordt van leerlingen met problemen. Uiteindelijk kost dat het openbaar onderwijs de kop. Wie vangt deze kinderen dan nog op? Het op zijn beloop laten is geen oplossing. Het aan gemeenten overlaten evenmin.

Gemeenten hebben geen passende instrumenten om dit probleem adequaat aan te pakken. De rijksoverheid heeft dat wel. Zij kan immers een vrije schoolkeuze realiseren. Een vrije schoolkeuze voor ouders kan voorkomen dat de zaak op gemeentelijk niveau escaleert en vervolgens paardenmiddelen nodig zijn om kinderen alsnog toegang tot bijzondere scholen te verschaffen. Hoe anders moet omschreven worden wat in Soest dreigde te gebeuren? Met één pennestreek van de raad zijn drie openbare scholen van de kaart geveegd om de spreiding van allochtone kinderen af te dwingen. Ook hierover hebben ouders uiteindelijk geen enkele zeggenschap. Wel adviesrecht, maar geen instemmingsrecht. Vanuit democratisch oogpunt is dit een armoedige en verwerpelijke situatie.

Een vrije schoolkeuze voor ouders betekent dat ook bijzondere scholen leerlingen de toegang in beginsel niet meer mogen weigeren, net zoals dat nu al voor openbare scholen geldt.

De overheid bekostigt openbaar en bijzonder onderwijs `naar gelijke maatstaf'. Dat wil zeggen dat zowel openbare als bijzondere scholen volledig door de overheid worden gefinancierd met publieke middelen. Mag diezelfde overheid in ruil daarvoor ook aan het bijzonder onderwijs vragen om `naar gelijke maatstaf' de lasten van deze maatschappelijke taak op zich te nemen en geen kinderen met kleinere of grotere achterstanden te weigeren?

Dit geldt feitelijk al voor het speciaal onderwijs. Lid 4 van artikel 40 van de wet op het primair onderwijs stelt dat leerlingen die geïndiceerd zijn voor zorg door speciale scholen voor basisonderwijs niet geweigerd mogen worden, zelfs niet op denominatieve gronden. Feitelijk geldt dit ook al voor de bijzondere scholen die zich naar het `Deventer-model voor het voortgezet onderwijs' hebben gecommitteerd aan de garantiefunctie van het openbaar onderwijs. Deze bijzondere scholen hebben in de statuten van hun samenwerkingsverband laten vastleggen, dat zij in beginsel geen leerlingen mogen weigeren. Als het Deventer-model in strijd zou zijn met artikel 23 van de Grondwet, dan heeft staatssecretaris Adelmund dus onlangs haar goedkeuring verleend aan een model dat in strijd is met de Grondwet. Wie nu voorbarig roept dat het bovenstaande pleidooi in strijd is met de Grondwet, zou ook hebben moeten ageren toen deze statuten afgelopen voorjaar in de Tweede Kamer aan de orde waren.

Er is dus alle reden om aan te nemen dat er helemaal geen grondwetswijziging nodig is. Voor de korte termijn biedt het meer perspectief om te stellen – wat eveneens waar is – dat de vrijheid van onderwijs nooit een absolute vrijheid is geweest. Ook het bijzonder onderwijs moet zich aan de kerndoelen houden, een schoolplan en schoolgids maken, en meewerken aan de `kwaliteitskaart'. Met andere woorden: de overheid mag eisen stellen aan de `deugdelijkheid' van het onderwijs. Dat staat zelfs letterlijk in artikel 23 van de Grondwet.

Wie durft nog van deugdelijk onderwijs te spreken, als juist de kinderen die het onderwijs het hardst nodig hebben de toegang tot scholen die dat onderwijs kunnen bieden, wordt ontzegd? Het is de hoogste tijd dat keuzevrijheid voor ouders, met daaraan gekoppeld een acceptatieplicht voor scholen, wordt toegevoegd aan de voorwaarden voor volledige bekostiging door de overheid. Zo krijgen ouders zelf de beschikking over een instrument tot spreiding en dat is beter dan dat deze van bovenaf wordt opgelegd. Bovendien voorkomen we hiermee dat kinderen die naar volle tevredenheid van hun ouders op een goed functionerende zwarte school zitten, tegen hun zin naar een andere school moeten verhuizen.

Ursie Lambrechts is lid van de D66-fractie in de Tweede Kamer.