Embryo-onderzoek moet een uitzondering blijven

De ethicus De Wert betoogde in deze krant dat er geen fundamenteel verschil bestaat tussen onderzoek op `restembryo's' en speciaal gekweekte embryo`s. Hanneke van den Boer-van den Berg is het daar niet mee eens. Er zijn wel degelijk principiële verschillen.

In het magazine M van NRC Handelsblad van 2 september stond een zeer lezenswaardig stuk over vooruitgangsdenkers en techniekpessimisten van de filosoof Hans Achterhuis. Deze reageerde op het sombere essay van Bill Joy, een week eerder op de Opiniepagina van deze krant. Achterhuis waarschuwt voor teveel pessimisme, maar pleit wel voor een brede discussie aangezien ,,technologieën onze waarden en normen incarneren en onze opvattingen veranderen.'' In de Wetenschapsbijlage van deze krant van 2 september stond een interview met de medisch-ethicus Guido De Wert waarin nader wordt ingegaan op de morele status van het embryo. Dit is een onderwerp waarbij in de loop van de jaren inderdaad gebleken is dat `technologieën onze opvattingen veranderen' en waarover al veel is gediscussieerd.

In 1995 bood de regering, gesteund door een Kamermeerderheid, onder voorwaarden ruimte voor wetenschappelijk onderzoek op `restembryo's', die overbleven na een IVF-behandeling, en verbood het speciaal voor onderzoek kweken van embryo's. Allerlei groeperingen in de samenleving steunden dat voorstel. Maar de ontwikkelingen gingen verder, het stamcelonderzoek werd mogelijk, en in 1998 pleitte de Gezondheidsraad in een rapport om ook het speciaal voor onderzoek kweken van embryo's toe te staan. De reacties daarop waren wisselend. Op dit moment wordt uitgezien naar het wetsvoorstel over dit onderwerp en is de vraag of ook de opvattingen van de minister opgeschoven zijn en of ook de regering vindt dat in Nederland een embryo, omwille van wetenschappelijk onderzoek, speciaal tot stand gebracht mag worden.

Volgens De Wert zou het kabinet hiertoe kunnen besluiten omdat er weliswaar een gradueel verschil is tussen het gebruik van overtollige embryo's voor wetenschappelijke doeleinden en het om dezelfde reden speciaal kweken, maar niet een doorslaggevend verschil.

De Wert heeft gelijk dat in beide situaties het embryo als middel gebruikt wordt. Het wordt op dat moment gebruikt voor een (wetenschappelijk) doel dat buiten het embryo zelf ligt. Maar het grote verschil zit in de reden waarom het tot stand is gebracht, en vooral in het feit dat overgebleven embryo's al tot stand zijn gebracht. Een vergelijking kan dat verschil wellicht verduidelijken.

Bij overtollige embryo's kan een vergelijking gemaakt worden met postmortale orgaandonatie. De persoon waar het om gaat, de donor, is hersendood en zal nooit meer tot echt bestaan komen. Op dat moment worden handelingen verricht waarbij (een deel van) het lichaam wordt gebruikt als middel voor het welzijn van een ander. Hetzelfde gebeurt bij embryo's die overgebleven zijn van reageerbuisbevruchtingen en die hoe dan ook verloren zullen gaan. Die embryo's zijn er wel, maar zullen nooit tot echt bestaan komen. Ze worden vervolgens gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek, dat wellicht in de toekomst het welzijn van anderen zal bevorderen. Een altruïstische daad, in beide gevallen, ook van naasten, in situaties waarin er leven is, maar tegelijkertijd geen leven is.

Een vergelijking maken als het gaat om het speciaal kweken van embryo's is veel moeilijker. Het lijkt op een situatie waarin een stervensproces bekort zou worden, omdat de potentiële ontvanger van een orgaan anders zal sterven. In een dergelijke situatie staan we niet toe dat het leven van de een afgebroken wordt omwille van het leven van de ander. We staan het staken van een behandeling alleen toe als dat in het belang van de patiënt zelf is, maar niet omwille van een ander. Als we echter toestaan embryo's speciaal te kweken voor onderzoek, staan we daarmee zowel een starten als een afbreken van het leven toe omwille van een ander. Willen we dat? En hoe ver mag dat beginnend leven dan gevorderd zijn? Welke reden is zwaarwegend genoeg om een dergelijke keuze te rechtvaardigen?

In de discussie ontkomen we er niet aan ook te anticiperen op de toekomst. Wetenschappelijk onderzoek met embryo's heeft onder meer tot doel de IVF-methode te verbeteren, zoals het voorkomen dat overtollige embryo's ontstaan. Als dat doel bereikt is en de samenleving wil dat verder wetenschappelijk onderzoek mogelijk blijft, zullen daarvoor speciaal gekweekte embryo's nodig zijn. Hierover merkt de Gezondheidsraad in 1998 op dat ,,het niet onaanvaardbaar is om gezonde vrouwen te benaderen met de vraag of zij een hormoonstimulatie en een eicelpunctie willen ondergaan om rijpe eicellen af te staan voor research.'' Op dat moment wordt echter niet alleen het embryo, maar ook de vrouw louter als middel gebruikt.

We kunnen evenmin om de vraag van mogelijke toepassingen heen. Stel dat voor bepaald onderzoek gekweekte embryo's echt noodzakelijk zijn, en stel dat dat onderzoek in Nederland verboden blijft en in Engeland tot resultaat leidt. Zullen we voor onszelf, onze partners, en onze kinderen afzien van die resultaten omdat we tegen het speciaal kweken van embryo's zijn en blijven? Ook als het gaat om een levensreddende ingreep?

Hoe dichterbij het morele dilemma komt, hoe moeilijker het wordt, maar ook hoe concreter. Hopelijk zal de minister het verbod op het kweken van embryo's ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek handhaven tot duidelijker is of het echt noodzakelijk is dat embryo's speciaal gekweekt moeten worden. Embryo-onderzoek zal – ook als het om overgebleven embryo's gaat – toch een uitzondering dienen te blijven, wegens de bijzondere status van het embryo.

In het Gezondheidsraadrapport uit 1998 wordt als mogelijk doel over de ontwikkeling van nieuwe voorbehoedmiddelen gesproken. Het gaat dan vermoedelijk – gezien de noodzaak van embryo-onderzoek – om middelen die na de conceptie een zwangerschap voorkomen. De vraag is of een dergelijk doel embryo-onderzoek kan rechtvaardigen. Onderzoek naar voorbehoedmiddelen kan ook (en beter) gericht worden op middelen die voor de conceptie een zwangerschap voorkomen.

Voordat we als samenleving zouden besluiten dat menselijk leven tot stand gebracht mag worden, en vervolgens afgebroken omwille van een ander, is het van belang samen te discussiëren over doelen, grenzen, voorwaarden en vooral over waarden die – ondanks de nieuwe ontwikkelingen – niet verloren mogen gaan.

Hanneke van den Boer-van den Berg is medisch ethicus en gespecialiseerd in klinische genetica.