Van Beinum met concert, cd's en boek herdacht

Met een indrukwekkende uitvoering van de Zevende symfonie van Anton Bruckner herdacht het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly gistermiddag de honderdste geboortedag (3 september 1900) van Eduard van Beinum. Hij was vanaf 1938 (naast Mengelberg) eerste dirigent van het Concertgebouworkest en na de oorlog chef-dirigent tot zijn overlijden op 13 april 1959, tijdens een repetitie op het podium van het Amsterdamse Concertgebouw.

Van Beinum dirigeerde zelf 43 keer de Zevende symfonie van Bruckner en een opname van het werk uit 1953 bevindt zich, samen met opnamen van de Brucknersymfonieën nrs 5, 8 en 9 in cd-box in de Philipsserie `Dutch Masters', die na het concert in de Spiegelzaal werd gepresenteerd. Ook is er nu een 12-delige box met live-opnamen van het Concertgebouworkest o.l.v. Van Beinum op het label Q Disc. Daarbij is ook een DVD-plaat met een filmopname van een concert met Beethovens Derde symfonie `Eroica'. Bart van Beinum overhandigde een door hem geschreven biografie over zijn vader (uitg. Thoth) aan Riccardo Chailly.

Eduard van Beinum werd in toespraken geëerd als een dirigent met groot muzikaal gezag en een menselijke, collegiale houding ten opzichte van de musici. Directeur Jan Willem Loot kondigde aan dat het orkest volgend jaar ook de 50ste sterfdag van Willem Mengelberg zal herdenken. Chailly roemde `maestro' Van Beinum als ,,een legende'' die ondanks aanbiedingen uit het buitenland bleef bij `zijn' orkest en excelleerde in zeer gevarieerd repertoire. Daaronder was veel Bruckner en Bach, van wie gisteren ook de Tweede suite klonk, met meer reliëf en profiel dan in het vorige seizoen de Eerste suite.

De Zevende symfonie, die ook in het vorige seizoen op het programma stond, was nu in een nog imponerender uitvoering een glanzend eerbetoon aan Van Beinum, een prominente verklanking die geheel past in de Grote Traditie van het Concertgebouworkest, dat met ruim 700 uitvoeringen sinds 1891 het wereldrecord Bruckner heeft. Ook 's morgens had deze Zevende symfonie al in de Grote Zaal geklonken in een uitvoering van het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen o.l.v. Philippe Herreweghe. De onderlinge verschillen waren enorm, zowel in opvattingen als speeltechniek. Herreweghe belichtte in extreme mate de losse opbouw en het weerbarstige, avantgardistische karakter van Bruckners muziek. Vrijwel elke passage stond los van de vorige, zodat de symfonie in miniatuurtjes uiteenviel. In 20ste eeuwse termen was die een mozaiek of een collage, in hedendaagse termen een combinatie van samples en zappen.

Bij Chailly, meestal zeer gevoelig voor Bruckners avantgardisme, klonk dit werk nu juist als een imposant golvende stroom, waarbij ondanks alle contrasten de muziek toch steeds ineenvloeide, uitmondend in monumentale en magistrale finales en een magische slotpassage van het Adagio, het `In memoriam Richard Wagner', waarin de componist zijn Walhalla betreedt.

Anders dan het niet meer dan redelijk opererende Vlaamse orkest, muntte het Concertgebouworkest uit in diepte, sonoriteit en een doorleefde klankcultuur, waaraan sinds zijn eerste Amsterdamse optreden in 1931 werd bijgedragen door Eduard van Beinum.

Concerten: Kon. Filharmonisch Orkest van Vlaanderen o.l.v. Philippe Herreweghe en Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Gehoord: 10/9 Concertgebouw Amsterdam.