Ultra-rechts komt niet uit de lucht vallen

De problemen rondom integratie en desintegratie in de samenleving dienen en bloc op de agenda te worden geplaatst. Het debat over rechts-extremisme biedt echter alleen een kans als wij met onze eigen mythes afrekenen, vindt de Duitse expert Wilhelm Heitmeyer.

Vaak wordt de indruk gewekt dat de rechts-extremisten uitzonderingen zouden zijn in een overigens gave samenleving. Dergelijke strategieën van morele distantiëring en afscherming uit eigenbelang dienen kritisch te worden bezien. De blik moet worden gericht op het midden van de samenleving, want daar ontstaan de problemen waarvan de gevolgen uiterst rechts zichtbaar worden. Pogingen om de problemen in een ander licht te plaatsen, door ze te personaliseren (`tja, dat zijn neonazi's'), te pathologiseren (`niet goed wijs') of een biologische grondslag te geven (`geweldplegers'), ontaarden gemakkelijk in morele zelfverheffing en dienen om onszelf politiek vrij te pleiten.

Het rechts-extremisme bestaat uit twee componenten: de ideologie dat mensen niet gelijkwaardig zijn, en geweld. Deze ideologie wordt ook uitgedragen door delen van de elites van deze samenleving en legitimeert de geweldpleging door extreme groepen des te sterker naarmate de sociale positie van die elites hoger is. Dat begint sluipenderwijs. Bijvoorbeeld met wetenschappers die de Auschwitzleugen propageren, en met historici die niet merken dat hun conferentie wordt gesponsord door de extreem-rechtse uitgeverij die boeken over de Auschwitzleugen publiceert. Of het directielid van een groot concern dat van `welvaartsafval' sprak, en een voormalige minister van Binnenlandse Zaken van een (Duitse) bondsstaat die zich uitsprak tegen een uit allerlei rassen samengeraapte samenleving. Niet minder gevaarlijk is de minister die onderscheid maakt tussen nuttige buitenlanders en buitenlanders die van ons profiteren. Daar begint de ideologie van de ongelijkwaardigheid, en die houding wordt door extreem-rechts geradicaliseerd.

De problemen beginnen al heel vroeg, en wel op de plaats waar het gaat om erkenning van gelijkwaardigheid en het recht op onschendbaarheid. Het meeste geweld wordt niet door jongeren op straat uitgeoefend, maar binnen het gezin. Dat is een aantasting van het recht op onschendbaarheid. Respect gaat verloren en geweld wordt acceptabel als een effectieve vorm van optreden, vooral waar de sociale integratie op het spel staat. Wie zelf onvoldoende respect ervaart, zal ook andere mensen en sociale normen niet meer respecteren. De geweldsdrempel daalt, en wanneer dan ook nog ideologieën voorhanden zijn die ongelijkwaardigheid propageren, en groepen die respect beloven op basis van krachtsvertoon, is het proces voltooid.

Het gaat dus niet om een fenomeen dat uit de lucht komt vallen. De grondslag wordt veelal gevormd door onzekerheid over werkgelegenheid, onderdak en verbondenheid met een groep. Onzekerheid is bij grote delen van de bevolking, vooral in Oost-Duitsland, aanwezig; ze hangt samen met de schijnzekerheden van een nationale identiteit. En aangezien tersluiks het recht van de sterkste wordt gepredikt, hoeft niemand zich te verbazen over de inmiddels extreem hoge mate van onverschilligheid. In geradicaliseerde vorm zien wij dit ook bij de rechts-extremisten, zij het niet individueel maar collectief, jegens vreemdelingen en zwakkeren. Rechts-extreme partijen en organisaties profiteren van de angsten en ervaringen die verband houden met sociale desintegratie.

Uiteraard zijn er gevallen waarin positieve waardering geen effect meer heeft, omdat een negatieve waardering in rechts-extreme groepen veel belangrijker geworden is. Dan rest enkel nog intensieve repressie om levens te beschermen. De problemen rondom integratie en desintegratie in onze samenleving dienen en bloc op de agenda te worden geplaatst. Daarbij gaat het om integratie in twee opzichten, namelijk van immigranten en van delen van de meerderheid van de bevolking. Daarom hebben economie en financiën ook meer met deze thematiek te maken dan over het algemeen wordt gedacht.

Hoe explosief de situatie is, blijkt nergens duidelijker dan in het dagelijks leven in steden en wijken waar mensen uit verschillende maatschappelijke lagen en van gevarieerde etnisch-culturele afkomst naast elkaar leven. Daarbij springt de neiging van migranten om zich in de eigen kring terug te trekken, in het oog. Het is dan ook noodzakelijk dat stedelijke samenlevingen meer en intensiever werk maken van de integratie van hun gemeenschap. Dit betekent ook dat de plaatselijke elites van zich moeten laten horen, wat tot dusverre niet gebeurt. De ervaring leert dat de bewoners van `betere' wijken zich weinig aan de zaak gelegen laten liggen, en dat zij afstand houden tot vreemdelingen. Het vernisje van de vermeende liberale verdraagzaamheid bladdert snel af wanneer bijvoorbeeld symbolen van een vreemde religie in de woonomgeving verschijnen.

Het begrip `tolerantie' is trouwens nogal problematisch, omdat het veelal neerkomt op `dulden' of `gedogen', wat altijd ook een zekere verholen minachting inhoudt. Bij tolerantie wordt de nadruk gelegd op de afwezigheid van conflicten, worden deze zelfs ontkend, terwijl ze in samenlevingen die bezig zijn te moderniseren toch aan de orde van de dag zijn. Anerkennung (erkenning, waardering, respect) zou een betere term zijn, want dat impliceert een conflictueus zoeken naar gezamenlijke principes, en voorts onschendbaarheid en gelijkwaardigheid.

Wat nodig is, is een migratiebeleid dat respect toont, en tegelijkertijd respect kan eisen voor de egalitaire beginselen van onze samenleving. De vraag is of de school, naast de steeds hogere eisen die daar aan de prestaties worden gesteld, nog andere, gelijkwaardige mogelijkheden tot waardering te bieden heeft. Wat het gezin betreft moet men zich afvragen hoe respect voor het recht op onschendbaarheid kan worden gerealiseerd. De kernvraag is dus: hoe komen wij tot een nieuwe cultuur van waardering, respect en erkenning?

Het valt niet te vermijden dat enkele zekerheden aan het wankelen zullen worden gebracht. Paul Spiegel, voorzitter van de Centrale Raad voor joden in Duitsland, heeft geëist dat er een schok door de samenleving moet gaan. Maar waar moet die schok vandaan komen, als de meerderheid van de bevolking zich jegens vreemdelingen vijandig of onverschillig opstelt en zich in het gunstigste geval van geweld distantieert, maar de mogelijkheid van dagelijkse discriminatie openhoudt?

Dit geweld moet worden veroordeeld, maar die veroordeling wordt door de betrokken groepen positief uitgelegd. Veroordeling adelt, tenminste voor de harde kern. Een oproep om zich fatsoenlijk en moedig te gedragen is altijd goed, maar zal slechts bij weinigen gehoor vinden. Rechts-extremisme is een groepsverschijnsel, dat zich als regel tegen rechteloze, individuele vreemdelingen richt. Daar komt bij dat niet is aangetoond dat meer informatie over de holocaust jongeren resistenter zou maken tegen het rechts-extremisme. Problematisch en in feite amper steekhoudend is de veronderstelling dat vastgeroeste vooroordelen door betere tegenargumenten zouden kunnen worden verdreven.

Het debat biedt alleen een kans als wij met onze eigen mythes afrekenen. Belangrijk is vooral de vraag, hoe de voorstadia van deze ongelijkwaardigheidsideologieën kunnen worden bestreden. Hoe organiseer je respect? En wat is eigenlijk een verbond? Het Verbond voor Democratie in Berlijn is symptomatisch – het stelt niets voor. Juist gezien deze stand van zaken verdienen de kleine initiatieven – die er gelukkig ook zijn – die op de lange termijn gericht, gestaag en offensief aan de problematiek werken, veel meer aandacht. Daar is alle reden toe.

Wilhelm Heitmeyer is hoofd van het Instituut voor interdisciplinair conflict- en geweldsonderzoek van de Universiteit Bielefeld. © Süddeutsche Zeitung