't Jochie van Mien

Aju, 't-ga-je-goed. Zo sluit hij elk gesprek af. Gewoon, zoals een jongen van het volk afscheid neemt van een jongen van het volk. Want zijn afkomst zal hij zelden verloochenen. Overal waar hij zich meldt, blijft hij zichzelf. Temidden van autoritaire mensen, temidden van rijke mensen, temidden van arme mensen, temidden van omhooggevallen mensen, overal is en blijft hij Anton Geesink: 't jochie van Mien uit het Kroonhoffie, Wijk C, Utrecht, echtgenoot van Jans uit de Florastraat, ook Wijk C.

Vanaf zijn twaalfde heeft hij op de steigers gestaan. Eerst als bouwvakker, toen als een vernieuwende olympisch-, drievoudig wereldkampioen en 21-voudige Europese kampioen judo, vervolgens als een inventieve judoleraar en uiteindelijk als een opbouwende sportbestuurder en trouw gezant van de internationale olympische beweging. Altijd is Geesink (6 april 1934) in de weer geweest. Het ,,ik ben hartstikke druk, jong'' is bij een ontmoeting zijn telkens terugkerende boodschap. Zwetend, blazend en steunend, zoekend naar evenwicht voor het grote lijf dat zijn versleten benen nauwelijks nog kunnen dragen. Een zakdoek en Jans als onmisbare hulpmiddelen bij de hand.

Wie vraagt of Geesink moe is, wordt geconfronteerd met zijn sterk ontwikkelde vechtlust. Als een judokampioen neemt hij de aanval over en vloert hij je meedogenloos met ,,Ach nee, ik word niet zo gauw moe.'' Een onberispelijke uchi-mata. Wie Geesink meent te moeten aanvallen, stuit onherroepelijk op verzet en moet rekenen op een balansverstoring. Geesink zal niet rusten voordat de wereld aan zijn voeten ligt. Altijd een idee, altijd de wens om te laten zien dat hij bezig is met een project dat bijdraagt tot een zinvol bestaan voor iedereen in het algemeen en hemzelf in het bijzonder.

Zoals een judoka zijn armen spreidt voor een gevecht, alsof hij tegen zijn tegenstander wil zeggen: ,,Hier ben ik, laat maar zien wat je in huis hebt.'' Zo lijkt hij het leven tegemoet te blijven treden. Uitdagend en leergierig tegelijk. Want zelfverzekerd als hij is, schroomt hij niet zijn zwakheden bloot te geven. Van iedereen wil hij leren, zelfs van autoritaire, op geld beluste, doortrapte en manipulerende mensen. Recht voor z'n raap, koketterend naïef bijna volgens de hedendaagse mores grijpt hij de tegenstander bij zijn jasje in de overtuiging dat hij hem zoals vroeger zal vloeren met een harai-goshi. Soms wint hij, soms gaat hij onderuit omdat hij is vergeten dat veel mensen hun integriteit al lang hebben verdrongen.

Eens werd hij beschuldigd van corrumperende praktijken. Hij zou in ruil voor geld de sportwereld hebben willen vertellen dat een bepaalde plaats de beste plaats was om Olympische Spelen te organiseren – of zoiets. De wat wereldvreemd ogende man in deze wereld van argwaan en verraad wist niet wat hem overkwam. Dat men hem, de man die de edele en op ethische gronden gebouwde judosport had proberen te zuiveren van kwalijke invloeden, durfde te beschuldigen van vals spel deed hem erg veel pijn.

Geesink haastte zich om zijn onschuld te betuigen tegenover iedereen die hem lief was. Alsof hij weer zo'n sluwe en zuigende Japanse judo-trainingspartner tegenover zich vond: wie hem aanvalt, moet zich wapenen. De beschuldiging trof niet alleen hem, ook zijn vrouw en drie kinderen. Nog erger dan eerder de Nederlandse (olympische) sportbestuurders hem en zijn vrouw te schande maakten. Geesink wist zich als een kampioen te redden uit zijn precaire positie. Gelukkig maar, want liever een door het leven en de sport redelijk wijs geworden volksjongen dan een verdwaalde en opportunistische politicus.