Leeg, leger, leegst

De wervingsresultaten voor soldaten voor de landmacht vertonen al jaren een dalende tendens. Maar hoe ernstig de situatie was, werd niet duidelijk in de rapportages van Defensie. ,,Er is een onhelder beeld geschapen''.

Soms is het leerzaam om een rapport van een van de vele commissies die ons land heeft voortgebracht, nog eens uit de la te halen. Neem bijvoorbeeld de rapportage van de commissie-Meijer, die in 1992 toenmalig minister van Defensie Relus ter Beek adviseerde over het afschaffen van de dienstplicht en de eventuele instelling van een beroepsleger.

,,Uit arbeidsmarktonderzoek blijkt dat de vulling van de beroepskrijgsmacht met grote risico's gepaard gaat'', schrijft de commissie, die voorspelt dat er, zeker in periodes van economische groei, niet genoeg rekruten te werven zullen zijn. Conclusie: handhaaf de dienstplicht, zij het in een beperktere opzet.

Het rapport-Meijer ontlokt nog wel eens een cynisch glimlachje om de lippen van landmachtofficieren. Velen van hen waarschuwden toen al voor het probleem dat nu levensgroot op tafel ligt: er zijn nauwelijks soldaten te krijgen. De situatie is zelfs zo nijpend dat Defensie de verwachte instroom voor de zogenaamde Beroepsmilitairen Bepaalde Tijd (BBT-ers), de vervangers van de dienstplichtigen, alleen dit jaar al twee keer naar beneden heeft moeten bijstellen.

Waarom wordt het probleem pas nu zo duidelijk? Was niet al veel eerder te voorzien geweest dat het met de vulling van de landmacht de verkeerde kant op ging? Achter deze ogenschijnlijk simpele vragen schuilen gevoelige antwoorden.

De cijfers die Defensie de afgelopen jaren publiceerde, geven een vertroebeld beeld. En het blijkt niet makkelijk de gegevens te achterhalen die wél precies de ontwikkeling van de wervingsproblematiek van de landmacht in kaart brengen.

Voor een reconstructie eerst terug naar de tijden van de dienstplicht, toen het voor de Koninklijke Landmacht (KL) allemaal eenvoudig was. Er werd gekeken naar de gewenste sterkte van de KL en daar werd de aanstellingsbehoefte op afgestemd. Met het reservoir aan dienstplichtige Nederlanders achter de hand, werd het aanstellingsresultaat vervolgens altijd gehaald.

Na het afschaffen van de dienstplicht in februari 1996 werd alles anders. Defensie moest BBTpersoneel gaan werven op de `vrije markt.' In de eerste maanden van dat jaar ging dat nog redelijk goed, omdat veel dienstplichtigen bereid bleken bij te tekenen als beroepsmilitair. Maar al snel begonnen de problemen en werd besloten, zo vertellen bronnen binnen de landmachtstaf, om de aanstellingsbehoefte voor soldaten naar beneden bij te stellen: 4500 voor 1998, 3600 voor het jaar daarop. Vanaf 2000 zou dit aantal, door een grotere wervingsinspanning, weer omhoog kunnen, naar 3700 hoopte men.

Zo vervaagde de aanstellingsbehoefte van een gewenst aantal soldaten naar een aantal rekruten dat de landmacht verwachtte te kunnen werven. Het effect van de aanpassing van de aanstellingsbehoefte is goed te zien in de Defensiebegrotingen: hoewel de politiek juist besloot om de parate functies bij de landmacht uit te breiden, lag de zogenaamde begrotingssterkte voor dit jaar 15 procent onder de sterkte die gewenst was.

,,Een geraamde onderbezetting'' noemde de hoogste ambtenaar van het departement, secretarisgeneraal D. Barth, het eerder dit jaar in een waarschuwende vertrouwelijke notitie aan minister De Grave: ,,Met name bij de KL leidt de cumulatie van de achterblijvende aanstellingsresultaten bovenop de reeds geraamde onderbezetting (begrotingssterkte BBT ligt immers reeds circa 15 procent onder de toegestane BBT-sterke [gewenste sterkte, red]) tot forse aantallen vacatures.'' Barth verwachtte dus, dat zelfs de door hem omschreven `geraamde onderbezetting' niet zou kunnen worden gehaald.

In werkelijkheid is de situatie nog veel ernstiger. Het aanstellingsresultaat van soldaten dat door Defensie naar buiten wordt gebracht betreft namelijk de mannen die aan de opleiding tot BBT-er waren begonnen en niet de militairen die uiteindelijk in functie treden.

Dit is meer dan een nuance. De uitval in de opleiding is groot: zo'n 25 procent. In 1999 werd bijvoorbeeld gemeld dat er 3058 soldaten waren binnengekomen, terwijl het aantal BBT-ers dat daadwerkelijk aan hun baan begon, honderden rekruten lager lag. Binnen het departement realiseert men zich dit maar al te goed, zo valt te lezen in interne ramingen van de afdeling personeelszaken van de landmacht. Daaruit blijkt dat, om de aanstellingsbehoefte van 3700 soldaten te halen, er dit jaar éigenlijk 4500 personen moeten worden geworven. Die mededeling is de afgelopen jaren echter nooit gedaan in de zogenaamde `wervingsbrieven' aan de Tweede Kamer.

In de rapportages aan de Tweede Kamer wordt dus het beeld van de wervingsproblematiek op twee manieren vertroebeld: men spreekt over soldaten die men hoopt binnen te halen en niet over militairen die nodig zijn om de organisatie gevuld te krijgen. Verder is de daadwerkelijke instroom ná de opleiding lager dan het aanstellingsresultaat dat in de wervingsbrieven wordt gemeld.

Een woordvoerder van het ministerie van Defensie erkent dat er ,,een onhelder beeld'' is ontstaan. Maar hij benadrukt ,,dat het nooit de bedoeling is geweest met de cijfers te manipuleren.'' De woordvoerder wijt de ontstane verwarring aan ,,de geweldige definitiekwestie rond de verschillende begrippen'' en benadrukt dat, ondanks de sterk tegenvallende wervingsresultaten, Defensie nog altijd aan haar `ambitieniveau' op het gebied van vredesmissies kan voldoen: ,,En dat is toch het wezen van de discussie.''

Dat neemt niet weg dat de Tweede Kamer de afgelopen jaren zich geen reëel beeld heeft kunnen vormen van de werkelijke problematiek rond de werving bij de landmacht. ,,We hebben de problemen voor ons uitgeschoven'', zegt een hoge landmachtofficier. ,,We hoopten dat de situatie op de arbeidsmarkt zou aantrekken. Maar nu de werving blijft tegenvallen, worden we niet alleen dáármee geconfronteerd, maar ook met de onderramingen van de jaren daarvoor.''. Ongewild schetst de officier daarmee precies de ,,cumulatie van achterblijvende aanstellingsresultaten'' waar secretarisgeneraal Barth in zijn brief aan minister De Grave op doelde.

Dit is het tweede deel van een drieluik over de personeelsproblemen bij de landmacht.