Dure olie

DE EUROPESE financiële diplomatie is van elastiek. De Ecofin, de vergadering van de ministers van Financiën van de Europese Unie, sprak zich dit weekeinde uit tegen verlaging van accijnzen ter compensatie van de hoge olieprijs. Maar de voorzitter van de bijeenkomst, de Franse regering, had zojuist accijnzen verlaagd om protesterende dieselgebruikers tegemoet te komen. Andere regeringen overwegen vergelijkbare maatregelen als hun land, in navolging van Frankrijk, getroffen wordt door blokkades van raffinaderijen, tankstations, luchthavens, zeehavens en wegen. Op voorhand heeft de Ecofin dan ook een nooduitgang gereserveerd voor regeringen van lidstaten die tegen zo'n `knelpunt' oplopen. Samen zijn we sterk, maar ieder voor zich moet er maar het beste van zien te maken, lijkt de redenering. Het Franse voorbeeld is intussen geen stimulans voor de anderen om de rug recht te houden.

Onder de gegeven omstandigheden ligt de uitweg van de accijnsverlagingen wijd open. De verminderde inkomsten voor de schatkist worden gecompenseerd door hogere revenuen via deBTW, die op haar beurt aan de gestegen olieprijs is gekoppeld. Voor de staat gaat het uiteindelijk om een kwestie van vestzak-broekzak. Toch zijn de bezwaren niet op zand gebouwd. Al jarenlang verkondigen de olielanden dat met name de regeringen in Europa een onevenredig deel van de opbrengst van de oliehandel via accijnzen, omzet- en groene belastingen voor zichzelf opeisen. Verlaging van de accijnzen onder druk van de straat kan als een bewijs van die stelling worden gezien. Bovendien dreigen de olielanden zich de vrijgekomen marge vervolgens toe te eigenen. Wat dat laatste betreft kan nu, na de Franse maatregelen, de proef op de som worden genomen.

DE WERELDOLIEMARKT wordt beheerst door achterdocht. Het verwijt van de olielanden dat de industriestaten zelf de belangrijkste prijsopdrijvers zijn, wordt geretourneerd met de klacht dat het kartel van olielanden, OPEC, bewust de productie krap houdt om de prijs omhoog te krijgen. Van de dit weekeinde in Wenen aangekondigde productieverhoging toont men zich niet onder de indruk. Maar ook de oliemaatschappijen – die de raffinage en de bevoorrading van de markt voor hun rekening nemen – worden door de regeringen gewantrouwd. De Europese Unie wil onderzocht zien of deze ondernemingen niet een loopje nemen met het geldende Europese mededingingsbeleid. Met andere woorden, `big oil' zit in het Europese beklaagdenbankje, verdacht van onwettige manipulatie van het prijsniveau.

De wetten van vraag en aanbod gelden ook voor de oliemarkt. Het evenwicht zou liggen bij een prijs van tussen de 20 en 25 dollar per vat. De krapte van het moment vlak voor de winter, ook veroorzaakt door de beperkte voorraadvorming, heeft dat evenwicht doorbroken. De direct getroffenen grijpen naar het wapen van de blokkade. Regeringen krijgen slappe knieën en gooien hun eigen fiscale dogma's als ballast overboord. Wie het hardst schreeuwt wordt het beste gehoord. De olie wordt duur betaald.