Drie broers en de berg

Niet ver van Teheran piekt de majestueuze Damavand 5671 meter de azuurblauwe lucht in. Het is de hoogste berg van Iran en tevens symbool van de natie, getuige onder meer de prominente aanwezigheid van de berg op Irans duurste bankbiljet (10.000 reaal), dat overigens slechts een Nederlandse waarde vertegenwoordigt van 2,50 gulden.

Aan de voet van de berg op 1800 meter ligt het dorp Reine, uitgangspunt voor de beklimming. Met onze donsjacks en slaapzakken installeren we ons in het huisje van de Mountain Federation en wachten op wat gaat komen. Na een uur komt een besnorde dertiger binnen. Het is Hassan, berggids. We huren hem voor morgen en hij neemt ons mee naar het huis van zijn broer Reza, waar we kunnen slapen. Niet dat er een bed is: we slapen op de betonnen vloer. Deze Spartaanse slaapkamer wordt echter ruim gecompenseerd door de binnentuin waar we tien kersenbomen tot onze beschikking hebben. Wat ze in de Betuwe aan het doen zijn weet ik niet, maar het heeft niets te maken met wat we hier proeven.

Al gauw zitten we met z'n allen op kussens en eten rijst met kebab van een plastic kleed op de grond. De kinderen van Reza krioelen door ons heen. Aan de muur tal van oude foto's van bergbeklimmende heren. ,,Zowel onze vader als grootvader was berggids'', zegt Reza. Hassan pakt een oud fotoboek. We zien flitsend geklede heren en dames – kleurige skipakken, dure zonnebrillen – op hagelwitte sneeuwvelden de camera in lachen. Martini in Iran. ,,Dat was voor de revolutie, in de tijd van de sjah'', zegt Hassan. ,,Na 1979 hield alles hier van de ene op de andere dag op. De laatste jaren begint het langzaam maar zeker weer een beetje te lopen. Door Khatami. Echt, het zou een ramp zijn als de hervormingen tot stilstand zouden komen.'' In het `bergboek' zagen we dat er de laatste jaren inderdaad al wat Zwitsers, Oostenrijkers en Fransen zijn geweest. Ook een groepje Nederlanders van de NKBV heeft een poging gewaagd, maar heeft de top (slecht weer) niet bereikt.

We bladeren verder door het fotoboek. De twee gidsen zijn nog jonge kerels en gaan gehuld in dezelfde soulbroeken als toen in de mode waren bij ons. ,,We kennen alle bergen van Iran op onze duimen'', zegt Reza. ,,Ik ben inmiddels 130 keer op de top van de Damavand geweest, Hassan honderd keer.'' Op de foto's zien we dat er nog een derde broer was. Waar is hij gebleven? Reza: ,,Dat is Faramarz, de oudste. Hij is dood. Vier jaar geleden omgekomen op de Damavand midden in de winter. Met zijn zoon van achttien was hij naar de shelter op 4150 meter geklommen om een rugzak op te halen die een klimmer had achtergelaten. Samen zijn ze onder een lawine terechtgekomen. We denken dat eerst zijn zoon verdween en dat Faramarz bij het zoeken zelf werd getroffen.'' Deze Faramarz blijkt ook de broer te zijn die de Federation heeft opgericht, waarvan het huis het ontmoetingspunt is voor bergsporters, die er ook vaak de nacht doorbrengen. Na het eten kijken we in Hassans `bergsportkelder' naar zijn uitrusting. Houten pickels, canvas rugzakken: het is de jaren vijftig.

We hebben gekozen voor een Überschreitung van de berg: omhoog via de noordkant (de steilste route) en naar beneden over de Normalweg. De tocht neemt vier volle dagen in beslag. Hassan onderscheidt zich vooral door mijlenver voor ons uit te klimmen en op onze vraag of ergens water is steevast `ja' te zeggen zonder te letten op de realiteit. Uitgeput bereiken we de top. Als we de volgende avond weer beneden zijn, blijkt dat Hassan zich direct kan gaan voorbereiden op een nieuwe beklimming, morgenochtend met een groep Fransen. Hij vraagt vijftig dollar per dag, dus hij heeft gouden tijden. ,,Ik laat nu nog niets lopen'', zegt hij. ,,Je weet nooit wat de dag van morgen hier weer gaat brengen.''