Dax, blob, gorp

,,Kijk 's, dit is een dax. Zie je de dax? Kun je hem op je hoofd zetten?'' Er zitten soms licht mallotige kanten aan het vak van taalonderzoeker. Daar sta je dan, met een of ander poppetje in je hand een jonge peuter wijs te maken dat het een dax is. Dat lukt trouwens heel makkelijk. Want laat je het kind daarna een rij speeltjes zien, waaronder een soortgelijk maar bijvoorbeeld anders gekleurd poppetje en zeg je ,,pak de dax maar'', dan pakt het kleintje feilloos de dax.

Maar dat doet het niet wanneer je het eerste poppetje hebt geïntroduceerd met de woorden ,,Kijk 's, dit is Dax. Zie je Dax? Kun je hem op je hoofd zetten?'' Alleen precies hetzelfde poppetje wordt dan als Dax herkend. Kinderen die nog niet eens anderhalf jaar oud zijn en zelf net een handvol woorden kunnen zeggen, hebben al haarfijn het verschil door tussen `een dax' en `Dax'. Tussen een soort en een naam dus.

Onzinwoorden als dax en blob en gorp maken inmiddels deel uit van een rijke onderzoekstraditie. Ze zijn op allerlei manieren ingezet om erachter te komen hoe kinderen het toch voor elkaar krijgen om in razend tempo het ene na het andere woord te leren.

Hun prestaties op dat vlak zijn werkelijk fenomenaal, het is een van de grote wonderen van ons taalvermogen: elk kind leert tussen zijn anderhalfste en zijn zesde iedere dag opnieuw tussen de vijf en de tien nieuwe woorden. En niet door stampwerk of invuloefeningen of andere inspanningen die wij arme volwassenen ons moeten getroosten als we zoiets willen, maar vanzelf. En die woorden zitten er dan ook echt in. Waar wij in een Frans restaurant voor de zoveelste keer moeten opzoeken wat pleurottes of rognons ook alweer waren, doet een kind zijn woordenschat met veel meer gemak op.

En het is allemaal nog indrukwekkender als je je realiseert wat `een woord leren' inhoudt. Het punt met woorden is namelijk dat ze nooit alleen komen. Er zit van alles aan vast. Natuurlijk de toevallige klanken, maar dat is in zekere zin nog het minst interessante. We hadden immers even goed `vies' tegen `lekker' en `lekker' tegen `vies' kunnen zeggen, en dat had verder niets uitgemaakt voor de eigenschappen van die woorden.

Want om de eigenschappen draait het. Die heb je in soorten en maten. Er zijn de dingen die met de betekenis te maken hebben. Daar zitten vaak hiërarchieën in: een pocket is een soort boek, rennen is een soort lopen wat weer een vorm van je voortbewegen is. En er zijn altijd allerlei dwarsverbanden. Alle boeken hebben met lezen te maken en alleen wat leeft en pootjes heeft kan rennen.

Maar een woord kennen betekent ook weten hoe je het kunt gebruiken, en hoe niet. Van werkwoorden moet je bijvoorbeeld altijd weten hoeveel bijbehorende `rollen' er te verdelen zijn. Dat zijn er een, twee of drie. Nooit meer, nooit minder. Bij `zitten' bijvoorbeeld kan er maar een: `Ik zit een kruk' of `Ik zit hem het bankje' is onzin, alleen de rol van de zitter (`Ik zit') kan uitgedrukt worden. De meeste werkwoorden hebben twee spelers in het `plot' dat ze beschrijven: wie of wat het doet, en wie of wat er gedaan wordt (`Rik schildert de achterkamer', `Regen teistert Italië'). Drie rollen heb je bij woorden als `sturen' en `verkopen': `Floris stuurt/verkoopt Annetje een boeket.'

We doen die dingen vanzelf goed, we weten niet eens dat we ze weten. Laat staan hoe we aan die kennis gekomen zijn. Je weet niet wat je weet is voor mij nog altijd de mooiste samenvatting van waarom taal interessant is om je mee bezig te houden.

Het is de door Wim Klooster bedachte titel van een taalschoolboek. Klooster nam deze maand afscheid als hoogleraar Nederlandse taalkunde. Toen hij in het vak begon, was de meeste onbewuste taalkennis nog echt helemaal onbewust. Nu hij vertrekt begint zowaar de oorsprong van die kennis te dagen. Daarom zullen kindertjes in laboratoria nog een tijdje allerlei onzin te horen krijgen die toch zinvol is. `Kijk, dit is Pietje, hij is aan het gorpen' tegenover `Pietje gorpt zijn neus' bijvoorbeeld, of `Deze blob is nogal daxerig.' Totdat we begrijpen hoe de hele machinerie werkt.