Bij Gaudeamus heerst de Nieuwe Gezelligheid

De prijs van de Gaudeamus Muziekweek – 10.000 gulden en een compositieopdracht voor volgend jaar – werd gistermiddag toegekend aan de Cyprioot Yannis Kyriakides (1969) voor zijn SPI: a conspiracy cantata als een soort van James Bond-fantasie onder grote hoogspanning. De jury (Cornelis de Bondt, Nic Collins en Jo Kondo) gaf eervolle vermeldingen aan de Japanse Sachiyo Tsumuri (1976) voor haar gitaarduo Toy en Sidney Boquiren (1970) voor zijn Filippijns Offertorium en Eucharistisch Gebed.

Kyriakides, een leerling van Louis Andriessen, legt in zijn cantate voor twee alten, piano en live electronics een verbinding tussen het heden (Tsjechische geheime dienst, Britse basis op Cyprus, Mossad, Cuba, CIA) met het Delphi van de antieken, destijds een niet minder opmerkelijk spionagecentrum. Welk een tegenstelling bood deze science fiction-achtige compositie met het gitaarduo Toy, haarscherp vertolkt door Kyung Hwang en Norio Sato van het nog jeugdige maar knap musicerende Ensemble Nomad. Na de Nieuwe Eenvoud (Pärt-navolgers) en de Nieuwe Springerigheid (navolgers van Strawinsky) lijkt nu de Nieuwe Gezelligheid in zicht. Hierin verdringt het genoeglijk zinnelijke aspect het streng structurele, of in het beste geval vallen ze samen, zoals in Toy. Dat aan zo'n grappig stukje voor twee gitaren toch ingewikkeld knutselwerk ten grondslag ligt, bewijst Tsurumi die liefst 36 verschillende speelwijzen had bedacht voor dit knisperend speeldoosmuziekje vol levendige charme, terecht door de jury geprezen. Hard trof Death Stench van de Australiër Matthew Hindson, en ook deze titel, verwijzend naar techno en death-metal, is veelzeggend. Hindson tracht ervaringen van vlak vóór en van vlak na de dood te vangen — ik prefereer de Nieuwe Gezelligheid.

Keeril Makans 2 for violin and percussion laat horen dat in de Verenigde Staten de minimal music nog springlevend is. Omdat geen enkel muzikaal idee terugkeert, valt de aandacht geheel op de instrumentatie, waarbij de viool wordt weggedrukt door het metalen slagwerk: eerst klankstaven, dan buisklokken, ten slotte een reusachtige metalen plaat. Makan is een geboren componist, jammer dat hij zich hier wat aan de gemakzuchtige kant toont.

Het briljante pianoduo Pauline Post en Nora Mulder gaat geen zee te hoog, en bij Joshua Penman, wiens Melody Bubbles begint als een grote 19de-eeuwse etude, lijken tien vingers nog veel te weinig voor al die op- en afrennende figuurtjes. Het begin is leuk, maar als de muziek uit elkaar valt, houdt de demontage niet over.

De piepjonge Pool Adam Falkiewicz is weer zo'n natuurlijk compositietalent, maar haalt er vooralsnog veel te veel bij. Aan de twee piano's voegt hij een duet voor traverso's toe, de pianistes bedienen ook nog Mexicaanse regenpijpen. Randy Nordschow, een leerling van Pauline Oliveros uit San Francisco, winnares bij Gaudeamus in 1962, beheerst zich beter. Op de pianosnaren plaatst hij e-bows, meeresonerende klankkastjes die een geheimzinnig glanzend-glazige trilling veroorzaken. Daartegen plaatst hij spaarzame nootjes, uiterst meditatief, bijna niets. Het is net iets te sophisticated voor New Age. In die buurt kwam wel de Filippijn Sidney Marquez Boquiren met zijn Offertorium en Eucharistisch Gebed: de democratische jaren '60 ten top. Slechts een handjevol noten stelt de componist koor en harmonium ter beschikking waaruit men vrijelijk heeft te kiezen. Dat er toch zoiets als een dwingend geheel ontstaat, mag zeker voor een groot deel op conto worden geschreven van het uiterst geïnspireerd Koor Nieuwe Muziek. Resultaat: een soort Stimmung van Stockhausen, zij het veel simpeler en aardser.

Azië was uitstekend vertegenwoordigd op deze Gaudeamus Muziekweek. Zo schreef de Zuid-Koreaan Nara Shin een boeiende Melange voor zestien instrumenten, zij het aanvankelijk wel wat voorspelbaar in één lange, dunne draad doorsneden door de hevige accenten van een getergde trombone en krachtig krakend pizzicato van de strijkers. Maar naar het slot toe had Joshua Penman kunnen leren hoe een demontage van voorgaand materiaal kan boeien. Als de muziek uit elkaar valt, behoudt bij Shin elk klankje zijn betekenis.

Een aardig stuk vond ik Agami voor vier trompetten van Saskia Macris, onlangs afgestudeerd bij Theo Verbey. Het is helder van opzet in duidelijk te onderscheiden secties als intens, levendig, vurig en dan weer terug naar een intense kalmte. Soms heeft het iets van de Vlucht van de Hommel met Andriessen als hommelmepper, een beetje argeloze muziek, maar weer geldt: dit is een geboren componiste en, afgezien van het vurige deel, wederom te beschouwen als een ode aan de Nieuwe Gezelligheid.

Gaudeamus Muziekweek 2000. Gehoord 4-10/9 Amsterdam.