Zijdehandel als cultureel prisma

Het zeventiendeeeuwse Iran dankte zijn buitenlandse inkomsten vooral aan de zijdehandel. Het hof in Isfahan had zo zijn eigen gebruiken, waar ook de Nederlanders zich naar hadden te voegen.

`WIE AAN IRAN denkt, denkt aan Perzië, aan poëzie, aan mystiek. Door die culturele lading is het sociaal-economische aspect altijd wat ondergeschoven. Tot voor kort zagen historici het als een afgeleide van studies naar de Europese handel. Het Ottomaanse Rijk en India staan veel meer in de belangstelling. Istanbul heeft archieven die nu toegankelijk zijn en de onderzoeker raadpleegt toch het liefst primaire bronnen. Van het Iran van de Safaviden-dynastie bestaan geen archieven, die zijn in de chaos na de val van hoofdstad Isfahan in 1722 vernietigd. Ik werk vooral met VOC-materiaal in het Rijksarchief in Den Haag en ik ben een van de weinige Iran-specialisten die gebruik maken van Russische bronnen, veelal gepubliceerde archieven.'

Ruud Matthee, verbonden aan de Universiteit van Delaware in Newark, onderzoekt de politiek-economische aspecten van het Iran van de zeventiende en achttiende eeuw. Na zijn studie Perzisch in Utrecht vertrok hij naar Amerika, waar hij in 1991 aan de University of California, Los Angeles, promoveerde op politiek en handel ten tijde van het bewind van sjah Solayman (1666-1694). Eerder dit jaar verscheen bij Cambridge University Press The Politics of Trade in Safavid Iran; Silk for Silver 1600-1730, dat een breder kader biedt.

ROUTES

``Ik wilde geen boek schrijven dat alleen gaat over hoeveel zijde er in Iran geoogst is, langs welke routes het vervoerd werd en wat voor prijzen er betaald werden', zegt Matthee. ``Ik ben iranist, geen Europees historicus, ik wil iets over Iran zelf vertellen. Zijde is voor mij een soort prisma, het ontleedt en biedt inzicht in verschillende aspecten van de Iraanse maatschappij. Beschrijvingen van zijdehandel aan de hand van tabellen combineer ik met de interacties tussen buitenlandse kooplieden en het hof in Isfahan. Wie de onderhandelingen volgt die gevoerd werden en let op de eindeloze reeks van misverstanden, krijgt een aardig beeld van de cultuurverschillen die daar speelden. Trouwens, de thema's van toen zie je ook terug in de fricties tussen de VS en Iran bij de gijzelingsacties eind jaren zeventig.'

De Safaviden-dynastie regeerde Iran van 1501 tot 1736. Ze maakte de sjiïtische islam tot staatsgodsdienst en lag veelvuldig overhoop met het Ottomaanse Rijk. In 1598 maakte sjah Abbas I, die in Iran nog altijd in erg hoog aanzien staat, Isfahan tot hoofdstad. ``Hij was een beetje de Elizabeth I van Iran, wier tijdgenoot hij was', zegt Matthee. ``Hij heroverde het land, dat voor hij aan de macht kwam uit elkaar was gevallen. Hij zorgde ervoor dat de handelswegen veilig werden en liet een groot aantal karavanserai's bouwen. Ook was Abbas actief op diplomatiek gebied. Hij verbreedde zijn armslag naar Europa, wilde zo Spanje, het Vaticaan en Rusland betrekken bij zijn strijd tegen de Ottomanen. Het was een sterke vorst die een enorm stempel op het land heeft gedrukt. Maar toch ook traditioneel in de zin dat hij zoveel mogelijk geld bij elkaar probeerde te schrapen om zijn dynastie te versterken.'

Dat geld kwam voor een groot deel uit de zijdehandel. Zijde werd geteeld in de kuststreek bij de Kaspische Zee en fungeerde als middel om buitenlands geld Iran binnen te laten vloeien. ``Het land had nauwelijks zilver- of goudmijnen zodat grondstoffen om zelf geld te munten ontbraken', zegt Matthee. ``Vooral na sjah Abbas gebruikten Safavidenvorsten de inkomsten uit de zijdehandel in de eerste plaats om hun hof veel luister bij te zetten, om paleizen te bouwen en banketten aan te richten. Vroeg-moderne praal zoals je ook in een land als Frankrijk zag: ook daar slokte het hof een fors percentage van de staatsinkomsten op. En er was veel geld nodig om de legertroepen te betalen: tot 1639 voerde Iran oorlog met het Ottomaanse Rijk.'

De zijde verliet Iran via drie routes. De belangrijkste voerde naar de Levant, eindigend in de steden Aleppo en Izmir. De noordelijke route via Rusland was minder in trek, moeilijk begaanbaar in de winter en vooral de veiligheid vormde een terugkerend probleem. Na de komst van de Europese maritieme mogendheden, begin zeventiende eeuw, kwam ook de uitvoer via de Perzische Golf in beeld. Dat de zeeroute de route over land zou hebben weggedrukt, klopt niet. ``Via de handelsroute naar de Levant bleef het geld gewoon binnenstromen', zegt Matthee. ``Die route werd beheerst door Armeniërs, daar kon niemand tegenop. Zij beschikten over een wijdvertakt, efficiënt familiesysteem waarbij je zonder probleem vanuit Isfahan een cheque van honderdduizend gulden naar een oom in Livorno kon sturen. Dat bespaarde gesleep met geld. Armeniërs zaten overal, van Londen tot de Filippijnen, en ze hadden een enorme voorsprong. Als christelijke minderheid waren ze kwetsbaar – bij tegenspoed waren zij de klos – maar tegelijk bood die positie voordelen. Als het Ottomaanse Rijk een boycot uitvaardigde tegen de sjiieten van Iran, konden zij gewoon handel blijven drijven.'

Het eerste schip van de Nederlandse VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie) meerde in 1623 af aan de kade in Bandar Abbas, de Iraanse havenstad aan de Golf. Eerder waren de Portugezen en Engelsen langs geweest, maar met de Nederlanders zou Iran de meeste zaken doen. ``Het VOC-ideaal was specerijen uit de Oost te ruilen voor Iraanse zijde', zegt Matthee. ``Maar de sjah wilde per se baar geld, zilver voor zijde. Steeds zie je in de onderhandelingen die twistappel terug. Met het verstrijken van de jaren keren de Nederlanders zich van de zijde af. Die was van te slechte kwaliteit, vonden ze, en te duur omdat ze hem van het hof moesten kopen. Zodra de Nederlanders zich op de particuliere markt roerden, verzekerde het hof zich alsnog van zijn inkomsten door tol te heffen. Nooit kreeg de VOC vat op de productiekant. De Kaspische Zee lag te ver weg, achter hoge bergen, en bovendien ging het om een vochtig en ongezond gebied dat regelmatig geteisterd werd door pestilentie en andere enge besmettelijke ziektes.'

Onderhandelen met het Iraanse hof was een vak apart. ``Nederlanders maakten afspraken, om de volgende bijeenkomst van de Iraniërs te horen dat het zo niet bedoeld was of dat de sjah anders had beslist', zegt Matthee. ``Kon je van voren af aan beginnen. Een contract verloor iedere betekenis als degene met wie je het gesloten had kwam te overlijden. Dat was voor de Nederlanders een enorme bron van frustratie. Moest je weer naar Isfahan met een omvangrijke delegatie en dure geschenken. Al snel viel bij de Heren Zeventien in Amsterdam of de gouverneur in Batavia gemor te vernemen. Moest dat nou echt weer honderdduizend gulden kosten? Wat was eigenlijk het rendement? Maar goedkoop doen leidde onherroepelijk tot een clash met het Iraanse hof. Daar was de eigendunk enorm, men beschouwde zich als spil der aarde. En dus kon je het als VOC-onderhandelaar wel vergeten als je geschenken niet werden gewaardeerd.'

Wat betreft de zijdetransporten moest alles tot in de kleinste details worden afgesproken. ``Het VOC-archief in Den Haag zit vol verzuchtingen', zegt Matthee. ``Vaak zaten de Nederlanders in Isfahan eindeloos te wachten tot de onderhandelingen hervat zouden worden. Transport van de zijde naar de Golf – iedere kameel droeg twee balen van circa 90 kilo – was seizoensgebonden. Hartje winter kon je niet naar de kust, dan lag er een dik pak sneeuw. 's Zomers was het in de woestijn moordend heet en in juli en augustus was het aan de Perzische Golf al helemaal niet uit te houden. Verder was je afhankelijk van de feestdagen. Je mocht pas weg uit Isfahan als de sjah zijn afscheidsaudiëntie had gegeven en dat was met grote tussenpozen, vaak met Nieuwjaar op 21 maart. Zat je weer maanden duimen te draaien. Intussen vertrok de thuisvloot in december of januari uit de Perzische Golf en te laat arriveren betekende een jaar wachten met zijde die er niet beter op werd. Verder moest je uit je doppen kijken of de Iraniërs vóór het wegen geen steen of vodden tussen je zijde stopten, of een verdacht gewicht gebruikten. Ook twistte men over de vraag of zijde voor of na het drogen gewogen moest worden. De sjah leverde het liefst in de wintermaanden, dan was de zijde het vochtigst en dus het zwaarst.'

VERVAL

Na de dood van sjah Abbas I trad geleidelijk aan het verval in. De greep van het hof op de zijdehandel verzwakt, er ontstaan facties, rivaliteit steekt de kop op. ``Uiteindelijk profiteren de Nederlanders', zegt Matthee. ``Vanaf 1640 is het beleid zo weinig mogelijk zijde af te nemen. Tegelijk probeert men de meegebrachte specerijen voor goed geld te verkopen, ook al is dat illegaal en vergt het steekpenningen. Het komt zelfs zover dat de Nederlanders grote hoeveelheden Iraans geld uitvoeren naar India. Het hof zag het met lede ogen aan. Manipulatie met geld – munten slaan met een lager gehalte aan goud of zilver – werd aldus door de markt afgestraft. Slecht geld drijft goed geld het land uit. In 1722 was de corruptie zo hevig, en het hof van binnen zo uitgehold, dat het verzwakte Iraanse leger bij het beleg van Isfahan finaal werd weggevaagd door een zootje ongeregelde, slecht bewapende Afghanen.'

Daarmee was de VOC-bemoeienis met Iran niet ten einde. Tot 1765 zag men het aan, tegen de klippen op. Wel was het met de zijde gedaan: in zijn plaats kwam kostbare geitenwol uit Kirman in het zuidoosten. Bij gebrek aan centraal gezag maakten lokale despoten er de dienst uit en het voordeel van de ruimere handelsmogelijkheden werd teniet gedaan door de wetteloosheid en de excessieve heffingen waaraan de Nederlanders bloot stonden.

Rudolph P. Matthee. The Politics of Trade in Safavid Iran; Silk for Silver 1600-1730. Cambridge University Press, 290 blz., geïll. ISBN 0 521 64131 4. Prijs: $64,95.