ZELFS SUPERMAN TWIJFELT AF EN TOE

Vier jaar na zijn indrukwekkende olympische debuut in Atlanta is hij voor het Nederlandse publiek degene die vanaf volgende week in Sydney de gouden medailles in de wacht sleept. Maar dat, zo weet zwemmer Pieter van den Hoogen- band, is makkelijker gezegd dan gedaan. ,,Ook ik heb zo nu en dan mijn twijfels.''

Het net sluit zich. E-mails laat hij dezer dagen onbeantwoord. Geen moppen, spitsvondigheden en voetbalwijsheden meer via de digitale snelweg. Een week voor het begin van het olympisch zwemtoernooi in het Sydney Aquatic Centre verkeert Pieter van den Hoogenband in hogere sferen. ,,Piet is bezig met het opbouwen van zijn droomwereld'', weet zijn vader, chirurg Cees-Rein van den Hoogenband. Slechts intimi zijn nog welkom in het leven van de zwemmer die in Australië één van de boegbeelden is van de Nederlandse olympische ploeg.

En ach, wat moet hij nog vertellen? Dat zijn moeder, oud-topzwemster Astrid van den Hoogenband-Verver, hem de eerste zwemvaardigheden heeft bijgebracht? Dat Duitse wetenschappers hem ooit een tien gaven voor zijn veelgeprezen lichaam? Dat het na `Atlanta' een jaartje minder ging en hij bij de Europese kampioenschappen in Sevilla (1997) tot de ontdekking kwam dat topsport aanzienlijk meer vergt dan een nonchalante benadering? Dat vorig jaar in Istanbul alle puzzelstukjes op de juiste plaats vielen? Ontelbare keren heeft de zesvoudig Europees kampioen die gebeurtenissen de laatste maanden uit de doeken gedaan, zodra er weer één of andere verslaggever tegenover hem zat. Zuchtend: ,,Het werd een beetje te gek, al die aandacht. Ik weet niet hoeveel journalisten er zijn langs geweest. Veel in elk geval.''

Roem heeft een prijs, weet Van den Hoogenband. ,,Mensen willen een superman van me maken. Ze hebben een held nodig. In Istanbul heb ik voor velen iets onmenselijks gepresteerd door zes keer goud te winnen. Toen durfden ze me niet aan te spreken, zo indrukwekkend vonden ze het. Dankzij die schouderblessure kreeg ik dit voorjaar plotseling weer menselijke trekjes. Klampten ze me weer aan om me succes te wensen.''

Het kan nog gekker. ,,Jacco (coach Verhaeren, red.) werd laatst in Frankrijk door een paar collega's meegenomen naar de kroeg. Die hadden het voortdurend over VDH. Jacco had zoiets van: waar hebben ze het in hemelsnaam over? Heeft één van hun vrouwen soms een ernstige ziekte? Maar het bleek over mij te gaan, over VDH.''

`Nee' zeggen gaat hem goed af, al beseft de `Sportman van het jaar' zich maar al te goed dat hij zijn verantwoordelijkheden niet kan ontlopen. Toch liet hij de internationale pers ruim twee maanden geleden, bij de EK in Helsinki, een paar keer wachten. Gemakzucht? ,,Ik was lekker aan het uitzwemmen en had al een hoop mensen gesproken. Ik zat middenin een zware trainingsfase en was zo kapot dat het belangrijker was dat mijn lichaam rust kreeg. Ik had er ook weinig trek in, in vragen die ik al honderd keer heb gehoord. Bovendien: als ze me echt nodig hebben, weten ze me wel te vinden.''

Vier jaar geleden in Atlanta verbaasde Van den Hoogenband vriend en vijand door als achttienjarige `vanuit het niets' twee vierde plaatsen (op de 100 en de 200 meter vrije slag) voor zich op te eisen. Ditmaal kijkt heel Nederland over zijn schouder mee, maar druk zegt hij niet te voelen. ,,Het is dat ik er telkens mee wordt geconfronteerd, met mensen die zeggen: `Spannend hè'. Ja, spannend zal het zeker worden. Het zijn de Olympische Spelen, niet één of ander clubkampioenschap. Zeggen ze: `Het hele land staat achter jou'. Hartstikke leuk, maar ik doe het in de eerste plaats voor mezelf. Ik ga daar heen om te presteren, en denk dan niet aan al die mensen die thuis op de bank zitten te hopen. Wat heb ik te verliezen? Als ik zonder medaille thuiskom, weet ik dat ik zwaar teleurgesteld heb. Want ik wil zeker in de medailles vallen.''

Nee, faalangst komt in zijn woordenboek niet voor. ,,Ik heb het wel gehad, drie jaar geleden in Sevilla. Al was dat meer onkunde dan faalangst. Het zou kunnen dat ik in Sydney naast de medailles grijp, maar daar ben ik niet mee bezig. Daar moet ik ook helemaal niet mee bezig zijn. In Istanbul had ik na de winst op Popov in de halve finales wel heel sterk een gevoel van: morgen is het moment om hem te verslaan. Als ik het nu niet doe, lukt het waarschijnlijk nooit meer. In die zin pompte ik mezelf op. Maar die kick heb ik nodig om te kunnen presteren.''

Het is die bijna ééndimensionale aanpak, die innerlijke prestatiedrang die als de grootste gave van Van den Hoogenband kan worden beschouwd. ,,Het zal wel aangeboren zijn. Ik weet het niet. Hoe dan ook, als ik met de ploeg op stap ben of ik lees een interview, dan merk ik af en toe dat sommige sporters vooral naar elkaar kijken of elkaar proberen neer te halen. Dat hoeft voor mij niet. Ik laat iedereen in zijn waarde en maak me niet druk om wat anderen doen of denken.''

En toch: ook Van den Hoogenband valt af en toe ten prooi aan twijfels, erkent hij na enig aandringen. ,,Iedereen heeft zo z'n twijfels. Ik dus ook. Hetzelfde geldt voor Popov, voor Klim, voor Thorpe. Dat kan ook niet anders, want het zijn één voor één mensen en het blijft sport. Niets is zeker. Maar die gedachte mag niet de doorslag geven. Op een wedstrijddag ga ik na de lunch altijd slapen. Mensen vragen zich af: hoe kan dat? Dat is heel simpel: koptelefoon op en ik ben zo weg. Ik kan er op zulke momenten toch niets meer aan doen. Het werk is verzet in de voorbereiding, dus waarom zou ik me dan druk maken?''

Is het laconieke gedrag misschien grotendeels gespeeld en verbergt Van den Hoogenband zijn twijfels achter een masker van onverschilligheid? Geïrriteerd: ,,Dat vind ik een belediging. Ik speel absoluut geen rol. Hoe kom je daarbij? Ik ben wie ik ben. Als ik een rol zou spelen, zou je daar snel genoeg doorheen prikken.''

Noem hem een zondagskind en hij zegt: ,,Ik weet dat ik geluk heb gehad. Dat ik een onbezorgd leventje heb en natuurlijk veel aan mijn ouders te danken heb, die beiden veel ervaring in de topsport hebben en me altijd lekker met rust hebben gelaten. Ik heb mijn eigen weg kunnen uitstippelen. Daardoor heb ik mezelf kunnen ontwikkelen.''

Zozeer dat Van den Hoogenband zwemmen tegenwoordig als een vak beschouwt. Zijn zwembroeken vergeten voor een trainingskamp, zoals twee jaar geleden gebeurde, overkomt hem niet meer. ,,Vier jaar geleden, zo voor en tijdens de Spelen in Atlanta, was zwemmen nog kinderspel. Ik vloog erin en dacht niet na over een race. De 200 meter bijvoorbeeld was voor mij één lange sprint. Ik realiseerde me ook niet dat het podium zo dichtbij was.''

Die zorgeloze houding heeft plaats gemaakt voor een groot zelfbewustzijn. ,,Na Atlanta wist ik dat die onbevangenheid nooit meer terug zou komen. Daar heb ik een tijdje mee gezeten, zo van: hoe nu verder? Om me heen zag ik zwemmers die niet – of in elk geval minder – nadachten over hun sport. Die deden maar wat. Moet ik dat ook doen, vroeg ik me af. Moet ik nu ook als een soort zombie leven om resultaten te behalen? Het antwoord is nee, omdat ik besef dat wie niet nadenkt over zijn sport geen houvast heeft zodra het mis gaat. Ik denk na over het zwemmen. Weet met welk programma ik bezig ben, wat ik wel en wat ik niet moet doen, wat mijn planning is, welke mensen ik om mij heen wil hebben. Dat schept rust.''

Eindeloos baantjes trekken is tegenwoordig een verademing. ,,Ik ben bereid een stap extra te doen. Vroeger hoorde trainen erbij, nu is het een genot. Het is een kick om mezelf af te beulen om straks in Sydney hopelijk een mooie prestatie neer te zetten. Dat ik aantik en denk: dus hier heb ik de afgelopen jaren al die offers voor gebracht. Je hebt momenten dat je d'r doorheen zit en denkt: waar ben ik mee bezig? Maar in mijn achterhoofd zit altijd dat gevoel van: nu doorzitten, dan heb ik straks plezier.''

Begrijp hem niet verkeerd, maar pijn is fijn. ,,Als Jacco aangeeft dat we in deze fase van het seizoen flink moeten afzien, dat we 's ochtends, 's middags en 's avonds aan de bak moeten. Als je er dan op het einde van de dag nog een 800 meter uit weet te persen, voel je dat het lichaam helemaal leeg is. Ja, dat is een fijn gevoel. Dan besef je dat er opnieuw grenzen zijn verlegd. Ik merk het ook. Mijn inhoud is de laatste maanden enorm toegenomen. Tot voor kort kon ik in een training één keer hard de 100 meter zwemmen. Daarna schoten mijn tijden omhoog. Nu kan ik het hoge tempo vasthouden. Jacco moet me zo nu en dan afremmen. Mijn hoofd wil af en toe meer dan mijn lichaam. Daarom liep ik ook die blessure op.''

Maar, en dat is niet veranderd: Van den Hoogenband wil zoveel mogelijk op eigen benen staan. ,,Ik wil niet afhankelijk zijn. Een aantal mensen, of dat nu Jacco is of onze krachttrainer Luc van Agt, vertrouw ik blindelings. Die heb ik nodig in mijn voorbereiding. Daarna, als ik alleen op dat startblok sta, ben ik op mezelf aangewezen. Dan moet ik het zelf doen en kan niets of niemand mij van de wijs brengen. Dan kan het zwembad instorten, maar dan zal en dan moet ik zo hard mogelijk door het water gaan.''

Ook al heeft hij het zwemmen voorgoed in de armen (,,Ik schaam me er niet meer voor''), eenzaam is het verblijf in het water wel. ,,Je ligt de hele tijd met je kop in het water. Tot voor kort gebruikte ik die tijd om de belevenissen op school nog eens door te nemen. Tegenwoordig, als ik bijvoorbeeld 4x800 meter moet zwemmen, denk ik aan de boeken die ik op dat moment aan het lezen ben, benieuwd als ik ben naar de afloop. Diep in mijn hart zou ik veel liever willen uitblinken in een teamsport, zodat je het succes met z'n allen kan vieren. Na het zwemmen kies ik ook voor een teamsport, voor hockey, voetbal of waterpolo.''

Liet hij nog niet zo lang geleden doorschemeren na `Sydney' af te haken, inmiddels overheerst het besef dat hij zijn talenten moet verzilveren. ,,Ik heb het daar wel eens met wat professoren over gehad. Die zeiden ook: `Als ik jou was, koos ik ook voor de sport'. Ik kan iets bijzonders, iets wat misschien nog twee of drie mensen ter wereld kunnen. Ieder mens heeft zo zijn gaven. Ik ben erachter gekomen dat ik toevallig snel door het water kan bewegen. Dat wil ik uitbuiten, zeker omdat ik weet dat ik nog veel progressie kan maken.''

Of hij zijn studie medicijnen ooit weer oppakt, is een groot vraagteken. ,,Het zal een beetje afhangen van wat er na Sydney gaat gebeuren. Kijk, ik moet wel wat aan dat zwemmen overhouden natuurlijk. Ik verdien nu goed, ik klaag niet. Maar het zou prettig zijn als ik straks een goede spaarcent verdien. Als blijkt dat de verdiensten tegenvallen, zal ik op een gegeven moment toch mijn maatschappelijke loopbaan moeten oppakken. Het enige wat ik weet, is dat zich bij mijn manager een aantal bedrijven heeft gemeld, en dat alle partijen achter de schermen aan het praten zijn. Ik vind het best, ik hoor het wel.''