`Wijzen' bieden EU uitweg uit sancties

Drie ,,wijzen'' hebben gisteren veertien regeringsleiders van de Europese Unie de mogelijkheid gepresenteerd om zonder gezichtsverlies een einde te maken aan de sancties tegen Oostenrijk.

Behendig hebben de drie `wijzen' in hun gisteren gepubliceerde rapport over Oostenrijk het voortzetten van de sancties tegen dat land ,,contra-productief'' genoemd. Tegelijkertijd hebben ze gezegd dat de sancties de burgers ,,gevoeliger hebben gemaakt voor het belang van de gemeenschappelijke Europese waarden''.

Met andere woorden: als de sancties tegen de Oostenrijkse regering volgens de aanbeveling van de wijzen worden ingetrokken, behoeft niemand zich af te vragen of ze wel zin hebben gehad. Maar tegelijkertijd benadrukken de drie in hun rapport dat de maatregelen in Oostenrijk nationalistische gevoelens hebben opgeroepen. Daar zou ten onrechte de indruk zijn ontstaan dat ze tegen de Oostenrijkse bevolking waren gericht.

De commissie, bestaande uit de Finse ex-president Martti Ahtisaari, de Duitse volkenrechtsgeleerde Jochen Frowein en de Spaanse oud-Eurocommissaris Marcelino Oreja, heeft het onderzoek verricht in opdracht van de veertien regeringsleiders die in februari besloten om op te treden tegen Oostenrijk omdat de christen-democratische ÖVP daar in een coalitie stapte met de extreem-rechtse FPÖ. De sancties tegen Oostenrijk werden indertijd aangekondigd door de Portugese premier Guterres, die toen het EU-voorzitterschap bekleedde. Officieel is altijd betoogd dat het om bilaterale maatregelen van de veertien landen ging en dat het geen zaak was van de EU. De EU-verdragen voorzien niet in een dergelijk optreden.

De sancties tegen Oostenrijk waren tot nu toe vooral symbolisch. Officieel zouden ministers van de veertien EU-lidstaten geen contacten meer onderhouden met leden van de Oostenrijkse regering. Oostenrijkse ambassadeurs zouden in de hoofdsteden van de veertien niet meer door leden van de regeringen worden ontvangen. Bovendien zouden de veertien geen Oostenrijkse kandidaten voor belangrijke internationale posten steunen. Aanvankelijk gooide vooral België daar nog een schepje bovenop met oproepen voor sport en toeristische boycots.

Maar de veertien EU-lidstaten zagen snel in dat zij riskeerden zichzelf in de voet te schieten. Ze benadrukten dat de Unie ondanks de sancties gewoon verder moest functioneren. Dat betekende gewoon overleg met Oostenrijkse ministers en diplomaten. Het enige dat op EU-niveau van de sancties terechtkwam, is dat Franse en Belgische ministers hun Oostenrijkse collega's bij vergaderingen weigerden de hand te schudden.

De Franse president Chirac, die samen met de Belgische premier de motor achter het invoeren van de sancties was, hoopte te bereiken dat de Oostenrijkse regeringscoalitie met de FPÖ uiteen zou vallen. Landen die slechts met grote tegenzin onder druk van Chirac met de sancties hadden ingestemd, begonnen al gauw te klagen over onaanvaardbare inmenging in de interne Oostenrijkse politiek. Critici van de maatregelen hebben vanaf het begin gezegd dat deze contra-productief zouden zijn, zoals de commissie nu ook heeft bevestigd. Naarmate duidelijk werd dat de Oostenrijkse regeringscoalitie geen eendagsvlieg was, werd voor de veertien een steeds nijpender probleem hoe ze van de sancties konden afkomen.

Daarbij was van belang dat een Oostenrijk met sancties een groot probleem voor de Unie als geheel dreigde te worden. De lidstaten zijn bezig met onderhandelingen over wijziging van het EU-verdrag. Het risico dat die in december in Nice niet succesvol afgesloten kunnen worden is toch al groot. Maar omdat alle lidstaten eenstemmig over verdragswijzigingen beslissen is dat risico nog veel groter als een gefrustreerd Oostenrijk dwarsligt.

De drie ,,wijzen'' hebben in hun rapport de kwestie Oostenrijk tot de ware proporties teruggebracht. Ze hebben geconstateerd dat de Oostenrijkse regering mensenrechten, minderheden, vluchtelingen en immigranten niet minder respecteert dan andere EU-regeringen. Daaraan hebben ook FPÖ-ministers meegewerkt. Maar tegelijkertijd kenmerken zij de FPÖ als een partij waarvan leden soms uitdrukkingen gebruiken die van vreemdelingenhaat getuigen ,,of zelfs racistisch'' zijn. In de partij worden ,, nauw aan het nationaal-socialisme verwante'' uitdrukkingen gebruikt. De FPÖ-ministers gebruiken deze taal niet, ook al wijst de commissie er wel op dat een van hen probeert critici de mond te snoeren. Volgens de commissie is niet uit te sluiten dat het verschil tussen FPÖ-ers in en buiten de regering tot een splitsing in de partij leidt. Dat komt dicht bij de theorie van de verstikkende omarming, waarmee de ÖVP de coalitie met de FPÖ heeft verdedigd.

De commissie beveelt daarom de EU aan om artikel zeven van het Verdrag van Amsterdam zo te wijzigen, dat een lidstaat onder speciaal toezicht kan komen als in dat land de Europese waarden op het gebied van mensenrechten in gevaar dreigen te komen. De ten opzichte van Oostenrijk zeer activistische Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Michel, heeft hier ook op aangedrongen. Het is de vraag hoe dit nog bij de lopende onderhandelingen over het EU verdrag kan worden gerealiseerd. Het is een gecompliceerde kwestie omdat uitgesloten moet worden dat het gevoel ontstaat – zoals bij Oostenrijk het geval is – dat grote landen een middel hebben om gemakkelijk bij kleine in te grijpen. De commissie heeft in ieder geval onderstreept dat het Verdrag van de EU niet voorziet in de manier waarop de veertien tegen Oostenrijk zijn opgetreden.