`Wanna go SHOULDER!'

De papegaai Alex kakelt niet zo maar wat, hij spreekt echt. De 23-jarige grijze roodstaart is een efficiënt symboolgebruiker.

SOMMIGE VOGELSOORTEN praten, tenminste zo lijkt het: papegaaien, raven. Toch is er nu één individuele vogel die op dit moment de meeste indruk maakt als prater en potentieel taalgebruiker. Het is een papegaai zoals je die in de slechtere dierenspeciaalzaak aantreft: gekortwiekt en half kaalgeplukt, door zichzelf. Het is de Afrikaanse grijze roodstaart Alex, die er inmiddels ruim twintig jaar universitaire opleiding op heeft zitten. Hij praat niet na, hij spréékt.

Luisteren en praten gaan bij Alex gelijk op. Hij zit op een toevallig roze papiertje te kauwen, en hij zegt daarbij `papier'. Bekenden kunnen hem dan zonder meer vragen: `wat voor kleur?' Hij meldt dan: `roze'. `Roze wat?' `Roze papier'. Je kunt hem ook allerlei andere voorwerpen en vragen voorleggen: `Wat is dit', `Hoeveel', `Wat voor vorm', `Wat is hetzelfde', of `Wat is verschillend.' Bij elkaar zijn het honderden denkbare combinatiemogelijkheden, toch komt hij met het juiste antwoord. Alex is een vogel die je kunt vragen uit een schaal met veelvormige objecten alleen de groene vierkante er uit te pikken. Hij zal het netjes doen. Feilloos geeft hij, op een verzoek in mensentaal, aan of twee objecten hetzelfde zijn, of juist niet – met criteria naar wens. Alex kan ook vragen beantwoorden over de grondstoffelijke aard van voorwerpen, zoals `leer', 'plastic', `papier', en `metaal'.

Iedereen weet dat papegaaien de geluiden van menselijke spraak akelig goed kunnen nabootsen. Maar begrijpen ze wat de woorden betekenen? Kan een papegaai overweg met complexe concepten – en menen wat hij zegt? Eind jaren zeventig besloot Irene Pepperberg dit uit te zoeken, en ze riep de hulp in van een eenjarige Afrikaanse grijze roodstaart, een van de populairste kooivogels. Alex is nu 23 jaar. Deze zomer publiceerde Pepperberg een flink boek over haar levenswerk: The Alex Studies. Daarin claimt Pepperberg, associate professor Evolutionaire Biologie èn Psychologie aan de Universiteit van Arizona, dat Alex niet zomaar mensen napraat, maar doelbewust woorden gebruikt om te krijgen of te bereiken wat hij wil. Met deze bundeling van herschreven, eerder apart verschenen publicaties levert Pepperberg een mooi overzicht van een van de opmerkelijkste en belangrijkste studies in het veelvormige veld van diercognitie. Haar `bewijs' blijft ook onder een kritische kijk recht overeind staan. Alex kan veel, niet in zijn eentje, maar in nadrukkelijk sociaal verband met mensen.

uit de kop

Rechtlijnige behaviouristen zien, ondanks de verfijnde en kritische aanpak van Pepperberg, nog steeds weinig in Alex' verrichtingen. Hooguit het door jarenlange intensieve training uit de kop leren van reeksen associaties. Daarom gaat Pepperberg in haar boek nogmaals in het offensief – met evenveel geduld als nodig is bij de training van haar papegaai, die zich emotioneel soms gedraagt als een verwend tweejarig kind. Het gaat hier om een vogel die acht uur per dag zijn verzorgers bestookt met vocale verzoeken en eisen. Die op verbaal verzoek flexibel complexe taken uitvoert, en zelf ook het een en ander te zeggen heeft. Het is geen dressuurtruc.

Maar is het Taal?

Alex' taal- en conceptkennis werden in een van buitengeluiden afgesloten, maar levendig ingerichte proefkamer vanaf de bodem opgebouwd, volgens een vooropgezet plan. Pepperberg had onder meer aan de hand van de leertheorieën van Piaget en Vygotsky, steunpilaren binnen de menselijke ontwikkelingspsychologie, veel van tevoren uitgedacht. Alex kende een geleidelijke ontwikkeling, zonder spectaculaire doorbraken. Eerst leerde hij een keur van objecten te benoemen in mensentaal, zoals `noot', `kurk' of `hout'. De volgende stap was het leren van een aantal namen voor vormen en kleuren. En pas na vele jaren met achturige werkdagen veroverde hij het concept `hetzelfde of verschillend'.

Alex prestaties komen voort uit gezonde wedijver. Hoe gewetensvol Pepperberg ook aan bestaande theorieën refereert: het geniale van haar aanpak berust op een eigen idee. Taalproeven – of alleen maar vocale proeven – met dieren in het spreekwoordelijke laboratorium zijn namelijk vaak mislukt bij gebrek aan feedback. Dieren die hun geluiden van soortgenoten leren, bleven onder kunstmatige omstandigheden verstoken van een boeiende en bijsturende reactie van anderen. Dé vondst van Pepperberg is dat ze de trainingen in een sociale context plaatste. Ze liet de vraag om aandacht en soms zelf regelrechte jaloezie voor haar werken.

In haar aanpak treden twee trainers op in een aanstekelijk rollenspel. Ze spreken duidelijk en langzaam met elkaar in het bijzijn van Alex. De een houdt een voorwerp omhoog en vraagt: `Wat is dit?' De andere trainer, met de rol van rivaliserende `student', krijgt bij het geven van het juiste antwoord wat vorm, naam of kleur betreft, het voorwerp in handen. Tenzij Alex hem natuurlijk voor is; die gaat al snel de competitie met de student aan om de aandacht van de leraar te vangen (zie kader). Net als menselijke kinderen is papegaaien er veel aan gelegen, aandacht te krijgen. Alex leerde dus het spelletje mee te spelen. Voedselbeloningen kreeg hij doorgaans niet. Pepperberg hierover: ``Als hij de naam leert zeggen, krijgt hij het object, dat hij dan kan manipuleren, bebijten of aan stukken scheuren – papegaaien besteden in het wild tenslotte veel tijd aan het openbreken van harde noten of vruchten en het uitdiepen van nestholten.'' En minstens zo groot is de sociale beloning: het meetellen voor, en het mee kunnen doen met de anderen. Deze aanpak wordt inmiddels ook bij moeilijk lerende kinderen toegepast, en de eerste resultaten zijn niet slecht.

Dankzij die wedijver ontwikkelt Alex in de eerste tien jaar een menselijke woordenschat van rond de zeventig woorden, verdeeld over namen van dertig objecten, zoals `sleutel', zeven kleuren, vijf vormen, vijf getallen, maar ook materiaalnamen en staccato-zinnen als `kom hier', of `wil weg'. Pronkstukken in die woordenschat zijn inmiddels ook uitdrukkingen die een behoorlijk abstractievermogen veronderstellen. Dat zijn de kleine woordjes die toch aardig de kenniskloof tussen mens en dier opvullen, zoals `wat', `hetzelfde' en `verschillend', `geen' en `niet'. Hij kan ze uitspreken en efficiënt gebruiken, tegenwoordig trouwens ook wel om voedsel te verkrijgen als beloning. Met zijn zeven kleur-woorden haalt hij bijvoorbeeld een heel behoorlijk `juist' percentage van 95 procent – waarbij die vijf procent dan nog aan balsturigheid en desinteresse geweten kan worden.

En nu kan hij behoorlijk complexe taken aan. Je kunt hem een combinatie voorzetten van rode en blauwe ballen en blokjes, en vragen hoeveel rode blokjes er zijn – en hij antwoordt correct. Of een schaal vol uiteenlopende voorwerpen, en hij weet te vertellen welke er groen èn driehoekig zijn.

Het lijkt haast onweerlegbaar dat Alex inzichtelijk en met inhoudelijke vakbeheersing te werk gaat. Het mooist blijkt dat bij `hetzelfde-of-verschillend' vragen. Hij kan de relevante eigenschappen van het moment benoemen, en dat doet hij ook bij deels nieuwe, hem onbekende objecten. Pepperberg: ``Als je hem alleen maar zou vragen naar de kleur van een object, en hij zegt `bruin', dan is dat een simpele associatie. Als hij echter uit allerlei voorwerpen op verzoek alleen maar de houten en groene weet te pikken, is het antwoord van meer afhankelijk. Hij moet er in ieder geval aan denken gelijktijdig op twee of meer criteria te selecteren.'' Flexibel, en met vocale toelichting.

Papegaaien, en zeker grijze roodstaarten, gelden als de intelligentsia van de vogelwereld en leiden een veeleisend bestaan. Het ligt voor de hand dat ze onder natuurlijke omstandigheden baat hebben bij een zeker concept-denken en categorisering, alleen al bij hun gevarieerde, soms riskant in het regenwoud vergaard dieet. Samen met de larynx-acrobatiek die ze als stemkunstenaars tentoonspreiden (weleens zonder lippen `parrot' gezegd?), zou deze natuurlijke aanleg tot een talent voor taal kunnen zorgen.

Tegenover deze zienswijze staat die van een minder ecologisch gerichte denkschool. Veel taal- en cognitiewetenschappers vinden de menselijk taal zo'n fantastisch gereedschap dat ze de zaak liever omgekeerd zien. Taal is zo'n machtig denkwapen, dat als je er ook maar iets van leert, je er als vanzelf beter van wordt, zelfs als stom dier. Door het verkennen en leren beheersen van die menselijke taaluitingen kan iets van ons menselijk genie op dieren afstralen. Dat blijkt bij mensapen als Koko, Washoe, Nim Chimsky, Kanzi, Lucy, Michael of Sarah. En nu dus ook bij een papegaai als Alex. Het prachtige taalgereedschap maakt de op zichzelf botte geesten van dieren veel scherper.

Door vergelijkbaar onderzoek is deze kritische zienswijze inmiddels zwak komen te staan. Ook andere dieren die van nature betrekkelijk slim aan de kost komen, blijken aardig te keer te kunnen gaan met concepten, ook als er geen taal aan te pas komt. Een zeeleeuw bijvoorbeeld kan meer dan op verzoek komisch in de zwempoten klappen; hij kan volgens vergelijkbare `hetzelfde-of-verschillend' opgaven aardig omgaan met het onderscheid van de aard van schematische figuren – zonder taalgebruik.

Het gaat om de natuurlijke conceptuele aanleg van een papegaai als Alex – taal of geen taal. Uitdagingen die zulke vogels in het wild te lijf gaan, kunnen ze bij uitstek overwinnen door werkelijke cognitie en leerprocessen die de simpele associatie ontstijgen. Natuurlijk is het zeker niet uitgesloten dat die talenten door experimenten met mensentaal behoorlijk verbreed en geformaliseerd worden. Dieren geven soms aan dat de mens een heel handige uitvinding heeft gedaan met uitgewerkt symboolgebruik. Mensapen die bij experimenten symbolen hebben leren toepassen, presteren daardoor op het rationele vlak soms beter. Mensentaal is een complexe en fantastische hersenoefening, die ook bij het uitvoeren van ander denkwerk voordelen heeft. Maar ze is niet het begin van alle denken.

In dit taaldebat stelt Irene Pepperberg zich behoedzaam op. Wat Alex volgens haar in ieder geval gebruikt en beheerst, is vocaal tweerichtingsverkeer met boodschapoverdracht, waaraan zij zijn cognitieve processen aan kan aflezen. Ze houdt het op gebruik van een aan werkelijk refererend taalgebruik verwante symboolcode. Pepperberg is ervan overtuigd dat hij niet zomaar een ruim vocabulaire toepast, maar dat hij ook werkelijk wat wil zeggen, en dat geldt niet alleen bij de formele taken. Hij weet haar te vertellen wat hij wil en waar hij heen wil. Hij vraagt haar dingen te doen en geeft nadrukkelijk zijn wensen weer. Hij praat zonodig zelfs met een zekere nadruk, en niet louter met de identieke, papegaaiende herhaling met monotone voordracht. Als zij hem zijn kamer indraagt, kan het zijn dat hij protesteert omdat ze hem ergens anders neer wil zetten dan hij voor ogen heeft. Hij zegt bijvoorbeeld: ``No, wanna go shoulder.'' Als ze hem toch nog op een stoel probeert te zetten, herhaalt hij ``Wanna go SHOULDER!''

filosofisch

Het `ik wil' kan hij als standaarduitdrukking gebruiken, zonder werkelijk grammaticaal inzicht of filosofische implicaties. Maar de duidelijkheid en het nut van de taalhandeling in de zin van informatie-overdracht en sturing van anderen zijn er niet minder om. Hij is de simpele associatie ver voorbij. Er zijn wetenschappers die hierin niets méér willen zien dan een reeks complexe associaties, maar Pepperberg heeft daar geen probleem mee. Diezelfde mensen kijken ook zo tegen menselijk taalhandelen aan; volgens diezelfde criteria weten ook mensen niet werkelijk wat ze zeggen of bedoelen.

Toch zijn de prestaties van Alex in één opzicht teleurstellend. En wel in relatie tot, zoals Pepperberg het in haar boek noemt, de heilige graal van de taal: het creatief gebruiken van woorden. Er is in alle jaren maar één voorbeeld van een zelfbedachte constructie: `banerry' voor appel. Dat lijkt een fusie van twee woorden die hij al kende; `banana' en `cherry'. Na al die jaren is een zo'n leuke uitvinding natuurlijk wat mager, hoe toepasselijk ook. Verder doet Alex niet aan recombinatie in testsituaties. Als excuus daarvoor ziet Pepperberg dat hij aan de situatie gewend is geraakt dat nieuwe voorwerpen door de proefnemers wel van een naam worden voorzien. Alleen tijdens individueel spelen met geluiden en woorden, combineert hij allerlei woorden met elkaar; verwant aan het brabbelen van kinderen, maar ook aan het zingen van wilde papegaaien. Daarvan valt niet te bewijzen dat het meer betekenis heeft dan klank alleen. Een creatief taalgebruiker is Alex dus niet, maar hij is zeker niet louter imitator. Hij is een nadenkend en efficiënt symboolgebruiker.

Irene Maxine Pepperberg, The Alex Studies - Cognitive and communicative abilities of grey parrots. Harvard University Press, 434 blz., geïllustreerd, 24,95 Pond.