Wanhoop wordt woede bij Molukkers

De machteloosheid van Nederlandse Molukkers heeft een lange historie. Bij sommigen is hun wanhoop omgeslagen in blinde woede, getuige de publiekelijke aankondiging van aanslagen van de Vrije Molukse Jongeren.

In de Nederlandse postkoloniale geschiedenis was zondag 18 oktober van het vorig jaar een historische datum. Op die dag ontving de toenmalige president van Indonesië, Bacharuddin Jusuf Habibie, in zijn privéwoning in de Indonesische hoofdstad Jakarta een delegatie van vooraanstaande vertegenwoordigers van de Molukse gemeenschap in Nederland, onder wie afgevaardigden van de regering van de RMS (Republiek der Zuidelijke Molukken). Het was voor het eerst sinds het verdwijnen van de Republiek der Vrije Zuidelijke Molukken, eind 1950, dat directe contacten werden gelegd tussen de Molukse gemeenschap in Nederland en de Indonesische regering.

Initiatiefnemer van deze bijzondere ontmoeting was de Indonesische moslimleider Abdurrahman Wahid, die nog geen week later door het Volkscongres werd gekozen tot de nieuwe president van Indonesië. Twee maanden later, op zondag 12 december 1999, begeleidden de president en vice-president Megawati Soekarnoputri de Nederlandse Molukkers bij een kort bezoek aan de door bloedige gevechten tussen christenen en moslims zwaar gehavende hoofdstad Ambon van de Indonesische provincie Maluku.

Op een bijeenkomst met lokale notabelen in het gouverneurskantoor zei president Wahid: ,,De oplossing voor Molukse problemen moet allereerst van de Molukkers komen. Wij in de hoofdstad kunnen alleen stimuleren en ondersteunen.'' Over de aanwezigheid van de Nederlandse Molukkers, inclusief de RMS'ers, zei hij: ,,Zij wonen ver van Ambon, ver van Indonesië, maar zij voelen zich zeer betrokken bij het lot van de Molukkers hier en willen vanuit louter menselijke overwegingen graag meedoen aan de wederopbouw van hun geboortegrond. De tijd is rijp af te rekenen met oud wantrouwen en ideologische obsessies.''

Nu, bijna een jaar later, lijkt het perspectief van wederopbouw, en een actieve betrokkenheid daarbij van de Molukse gemeenschap in Nederland, nog even ver weg als sinds het begin van het uitbreken van de burgeroorlog op de Molukken, in januari 1999. De afgelopen maanden werden de Molukken overspoeld door nieuwe golven van geweld – het uitroepen van de `civiele noodtoestand', eind juni, en een ingestelde marineblokkade hebben niet voorkomen dat fanatieke moslimstrijders, veelal gerecruteerd uit andere delen van de Indonesische archipel, hun jihad (heilige oorlog) hebben geïntensiveerd. Dit om wraak te nemen op wat zij aanduiden als door `christenen' en `RMS-rebellen' uitgevoerde zuiveringen in eerdere gevechtsronden. Het aantal doden is sinds begin vorig jaar opgelopen tot meer dan 4.000.

In Nederland is de ontreddering over de `Molukse tragedie' groot – althans in de Molukse gemeenschap. Dat Molukkers – velen met famiale banden op Ambon en de andere eilanden – de indruk hebben dat rampzalige gebeurtenissen op de Molukken de rest van de Nederlandse samenleving niet of nauwelijks raken, en in ieder geval niet hebben geleid tot noemenswaardige uitingen van solidariteit of tot politieke acties van de regering, versterkt bij hen het gevoel van machteloosheid. Kennelijk vinden sommigen de tijd nu rijp om hun wanhoop om te zetten in blinde woede, getuige de publiekelijke aankondiging van aanslagen die woordvoerders van de Vrije Molukse Jongeren recentelijk hebben gedaan.

Hoe serieus dat dreigement moet worden genomen, is onduidelijk. Spontane steunbetuigen binnen de Molukse gemeenschap voor hun initiatief blijven vooralsnog uit. Maar de openhartigheid van de jongeren is opvallend. Een voorgaande generatie van `jonge' Molukkers, die in de jaren zeventig treinen kaapten en gijzelingen uitvoerden, was minder loslippig. Hun gewelddadige acties (zoals de bezetting van de Indonesische ambtswoning in Wassenaar in 1970, de treinkapingen bij Wijster en De Punt in 1975 en 1977 en de schoolgijzeling in Bovensmilde in 1977) kwamen als een verrassing: voor de Nederlandse overheid, en ook voor de `oude' leiders van de Molukse gemeenschap.

In Nederland wonen ruim 40.000 Molukkers. De meesten zijn geboren en opgegroeid in Nederland. Zij zijn de nazaten van de Molukse KNIL-soldaten die ten tijde van het korte bestaan van de RMS (geproclameerd op 25 april 1950 en eind van dat jaar opgerold door de strijdkrachten van Soekarno) waren gelegerd op Java en elders in de Indonesische archipel, en die in het voorjaar van 1951 naar Nederland werden verscheept. Een `tijdelijke' verhuizing, werd toen nog gedacht. Bij aankomst in Nederland kregen ze te horen dat ze waren ontslagen uit het KNIL. De vernedering daarover en de frustraties over de uitzichtloosheid van hun situatie hebben, zo is achteraf geanalyseerd, een traumatisch effect gehad op hun kinderen. Zij zetten het onverwerkte verdriet van hun ouders om in de geweldsuitbarstingen die in de jaren zeventig plaats hadden, en gebruikten de vlag van de RMS daarbij als vaandel in de strijd om erkenning. Zij maakten onschuldige slachtoffers, en slaagden er daarmee in aandacht af te dwingen voor de problemen van de Molukse gemeenschap in Nederland.

De afgelopen decennia lijkt het politieke ideaal van een onafhankelijke RMS onder de Molukkers in Nederland steeds verder verbleekt. Sociologen zeggen dat het roodgroene RMS-embleem nu vooral wordt gedragen als teken om de eigen identiteit te benadrukken van `het Molukker-voelen, maar dan wel in de Nederlandse samenleving'. Het is in zekere zin de ultieme uiting van een geslaagde integratie in de Nederlandse samenleving, waarin iedere groep zichzelf mag zijn.

Toch roept de `RMS' nog gemakkelijk heftige emoties op in de Molukse gemeenschap in Nederland, zoals bleek uit afwijzende reacties op de bezoeken van de Molukse delegatie aan Jakarta en Ambon. De harde kern binnen de Molukse gemeenschap blijft wantrouwig tegenover kontakten met de `vijand' Indonesië. Zelfs de bejaarde RMS-president in ballingschap, Tutuhatunewa, viel zijn `ministers' af.

Die `ministers', onder wie de advocaat John Wattilete en dominee Otto Matulessy, rechtvaardigden hun toenadering met het argument dat met president Wahid aan het roer eindelijk uitzicht is gekomen op meer autonomie en welvaart voor de Molukken. Maar nu het geweld op de Molukken alsmaar voortduurt, en Wahid niet in staat lijkt het tij te keren, overtuigt dat argument steeds minder om een ontredderde achterban gerust te stellen – ook degenen die niet per sé heroprichting van de oude RMS nastreven.

Kennelijk voelt een aantal jongeren zich nu genoodzaakt om, in navolging van een eerdere generatie, tot het uiterste te gaan en te dreigen met bruut geweld om hun verbondenheid met het land van herkomst te demonstreren. Woordvoerder Wattilete van de RMS-regering heeft daar afstand van genomen. ,,Het is zinloos om door geweld interventies te bewerkstelligen'', zei hij gisteren in deze krant. Dat is nog zwak uitgedrukt.