Videobewaking roept om wettelijke regeling

In toezicht met videocamera's schuilen gevaren die ontbreken bij toezicht door een surveillant. Daarom moet er een wettelijke grondslag voor komen, vindt John Blad.

De Rotterdamse rechtbank heeft op 29 augustus uitspraak gedaan over strafbare feiten die in het Saftlevenkwartier door middel van camera's waargenomen waren. Het verweer van de raadsman dat het gebruik van videocamera's op straat een inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zonder de vereiste wettelijke grondslag, is door de rechter verworpen met een verwijzing naar artikel 2 van de Politiewet 1993. Dat draagt de politie de taak op in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde.

Op deze redenering valt veel af te dingen. Ten eerste omschrijft deze wetsbepaling wel de taak van de politie, maar niet welke bevoegdheden ter uitoefening van die taak mogen worden gehanteerd. Zeker wanneer bevoegdheden inbreuk maken op een grondrecht (hetgeen bij toezicht met videocamera's het geval is), zijn aparte bevoegdheidsverlenende regels nodig. Ten tweede had de rechtbank aan de vraag of de handhaving van de rechtsorde door middel van videocameratoezicht in overeenstemming met de geldende rechtsregels is, wel wat meer aandacht mogen besteden.

De rechtbank beschouwt toezicht met videocamera's als een noodzakelijke aanvulling op de politiesurveillance en ziet slechts een geringe inbreuk op de privacy. De maatregel wordt legitiem geacht nu in het Saftlevenkwartier veel overlast is van criminaliteit. Een dergelijke afweging kan wellicht aanvaard worden nu er geen wettelijke regeling is die het gebruik van videocameratoezicht toelaat en er al tientallen projecten met cameratoezicht van start zijn gegaan. Bovendien hebben die projecten een groot draagvlak bij plaatselijke bevolkingsgroepen, die hopen op die manier van overmatige criminaliteit te worden bevrijd.

Toch wordt op deze manier het recht op bescherming van het persoonlijk leven wel erg lichtvaardig opzijgezet op grond van verwachtingen dat cameratoezicht een bijdrage zal leveren aan de veiligheid van de burger. De waarde van veiligheid moet immers worden afgewogen tegen de fundamentele waarde van vrijheid.

Het is daarbij de vraag of de objectieve en subjectieve veiligheid in het geobserveerde gebied toenemen. Onderzoek vermeldt op het punt van de objectieve veiligheid (het voorkomen van delicten) wisselende resultaten. Britse evaluaties laten soms een daling van bepaalde delicten zien van wel 21 procent, soms een stijging van wel 9 procent. Meestal gaat het om effectmetingen op korte termijn waardoor we de gevolgen op lange termijn, zoals eventuele verplaatsingseffecten of andere aanpassingseffecten in het gedrag van daders, niet kennen. Op het punt van de subjectieve veiligheid (de veiligheidsbeleving) wordt vrijwel altijd geconcludeerd, dat die door de plaatsing van camera's is vergroot. Als de objectieve veiligheid niet werkelijk verhoogd is, kan men zich afvragen hoe deze verhoogde veiligheidsbeleving tot stand komt. Voldoende verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat plaatsing geschiedt op verzoek van een bepaalde wijkbevolking of na een draagvlakonderzoek, dat vaak een acceptatiebevorderend effect heeft. De roep om camerabewaking klinkt vaak uit stadswijken en bevolkingsgroepen die zich door de overheid verwaarloosd voelen. Men heeft nu in ieder geval aandacht gekregen.

Zou cameratoezicht bepaalde stadswijken beveiligen doordat de straatcriminaliteit zich verplaatst naar andere stadswijken, dan brengt de gelijke beschermwaardigheid van alle burgers met zich mee dat het cameratoezicht mee moet verhuizen of alsmaar moet worden uitgebreid. Maar zal men de uitgestrekte stedelijke gebieden, die straks nadrukkelijk `videobewaakt' worden, werkelijk als veiliger, of juist als bedreigender gaan ervaren? Zal de angst voor de misdaad, die het leven van sommige bevolkingsgroepen lijkt te domineren, niet alleen maar groter worden?

Moeten we deze technologische manier van bewaken prefereren boven de sociale controle door surveillanten? Waarom niet mensen in plaats van camera's? Oogcontact in plaats van koele registratie. Dit is menselijker en heeft een veel directere invloed op veiligheid. Wil cameratoezicht nut hebben, dan moet aan de observatie een menselijke vervolgactie worden verbonden: de geobserveerde die zojuist een fiets heeft meegenomen nadat zij de ketting met een tang heeft doorgeknipt zal zo spoedig mogelijk moeten worden staande gehouden en bevraagd, wil cameratoezicht voor potentiële daders op den duur een geloofwaardig afschrikwekkend middel (een zeer grote pakkans) en voor omstanders, potentiële benadeelden, een betrouwbare beveiliging zijn en blijven. Bij de inzet van camera's hoort dus altijd een aanmerkelijke, verhoogde personele inzet. Waarom wordt die dan niet direct op straat gebracht om via geüniformeerde surveillance de meer traditionele vorm van formele sociale controle uit te oefenen, die beslist beter dan de camera in staat is iemand van een overwogen delict af te houden. Anders dan een camera kan een wijkagent interveniëren en daardoor overlast en delicten voorkomen. Bovendien is de politieambtenaar veel toegankelijker voor allerlei andere vragen en problemen.

De verwachtingen op het punt van de veiligheid zijn te hoog gespannen, maar legitimeren ondertussen wel een verzwakking van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Onder bepaalde omstandigheden kan cameratoezicht intimiderend zijn en mensen brengen tot andere gedragingen dan zij zich eigenlijk hadden voorgenomen en dus hun vrijheid beperken. Ook als het gaat om gedragingen die niet verboden maar gevoelig en precair zijn en die men daarom het liefst anoniem en ongezien wil doen. Het recht op privacy betekent nu juist het recht om onbevangen (met) zichzelf te zijn.

De mate van inbreuk op de privacy hangt in ieder geval ook af van wat er met de gemaakte opnamen gebeurt. Als het gaat om opnamen, die direct op monitoren worden bekeken en de dag daarna worden gewist, dan kan men zeggen dat deze beelden ongeveer zo vluchtig zijn als de indrukken die een surveillerend politieman opdoet. Maar in de meeste projecten met cameratoezicht bewaart men de beelden een zekere tijd en maakt men die toegankelijk voor nader onderzoek, bijvoorbeeld om delicten in het geobserveerde gebied op te helderen. De beelden verliezen daarmee hun vluchtigheid. De cameraobservaties leiden tot persoonsregistraties, omdat de beelden identificeerbare gegevens bevatten die tot een bepaalde persoon zijn terug te voeren. Dit gebeurt met digitale technieken, die in beginsel manipulatie van beelden (vervalsing) mogelijk maken.

In politiekringen ziet men vele toekomstige toepassingen van videoregistraties. Zo worden in Breda in een video-database rubrieken gecreëerd, waardoor de politie beelden van de daders per soort incident of delict kan opslaan en daardoor een verbinding kan leggen met vergelijkbare incidenten, wanneer een dader of verdachte is opgepakt. Een verdachte hier is dan al gauw een verdachte daar. Er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van geautomatiseerde gezichtsherkenningssystemen, waardoor de `screenwatcher' een signaal krijgt wanneer een bepaald individu in het geobserveerde gebied wordt gesignaleerd en de observatie op die persoon kan worden geïntensiveerd.

Zo schuilen in bewaking met videocamera's gevaren die ontbreken bij toezicht door een surveillant. Daarom is een wettelijke regeling zeer gewenst.

Dr. John Blad is verbonden aan de onderzoeksschool maatschappelijke veiligheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam.