Slaaf van Oranje

De slavenhandel was al afgeschaft toen Nederland besloot Ghanese rekruten naar de Oost te verschepen. Zogenaamd op vrijwillige basis, maar feitelijk als slaven. Via Indië kwamen hun nakomelingen een eeuw later in Nederland. Daar ontdekten ze hun verleden.

Meer dan tweehonderd `zwarte Hollanders' zijn er gekomen naar `Belanda item 2000'. Naar de reünie in het kleurig verlichte zaaltje voor feesten en partijen, tussen de rijtjeshuizen in Schiedam-Noord. De uit Ghana afkomstige hoogleraar forensische psychiatrie, Thad Ulzen, is er speciaal voor overgevlogen uit de Verenigde Staten. Hij heeft zich voor de gelegenheid in Ghanese klederdracht gestoken. De rest, drie generaties Belanda items – Maleis voor zwarte Hollanders – komt uit alle hoeken van het land. Wat hen naar deze reünie voert, is niet zozeer hun Indische achtergrond als wel hun Ghanese herkomst. De voorvaders van de Belanda items werden in de negentiende eeuw door de Nederlanders geronseld in het toenmalige Goudkust, min of meer als slaven, om te dienen in het Koninklijk Nederlands-Indisch leger (KNIL). Aan hen ontlenen de Belanda items hun donkere huidskleur en hun kroeshaar, die hen onderscheiden van de `gewone' Indo's.

De Ghanese Indiërs vieren deze zaterdagmiddag een lustrum het is de tiende reünie in bijna twintig jaar tijd. Binnen de Indische gemeenschap vormden ze een aparte groep, na hun vertrek naar Nederland in de jaren vijftig hielden ze contact. Daniël `oom Daan' – Cordus (78), de voorman van de gemeenschap, opent de bijeenkomst. Zijn stem breekt als hij de ouderen herdenkt die hen de afgelopen jaren zijn ontvallen. Dat maakt de banden met het verleden losser, de bronnen van overlevering schaarser. De kenmerkende negroïde trekken worden bleker met elke volgende generatie.

Op de reünie komen jong en oud om hun gemeenschappelijke wortels verder uit te spitten en de geschiedenis levend te houden. Om stambomen te maken en de gangen van hun voorvaders na te gaan. Maar vooral ook om de Ghanese cultuur te ontdekken. Juist daarin schuilt de verklaring voor hun anders-zijn.

Er is op de reünie een Ghanese modeshow waarin drie generaties Belanda items meelopen. Een blonde peuter, met `anak Belanda item' (zwart Hollands kind) op haar shirtje, staat vol overtuiging Afrikaans te dansen op de muziek van de Ghanese band. Er worden dia's van het hedendaagse Ghana vertoond, Ghanezen lopen in klederdracht rond. ,,Niemand van ons was ooit in Afrika geweest toen we ontdekten dat we Ghanees bloed hadden', verklaart Peter Klink (36), de belangstelling voor het Afrikaanse moederland. De zwarte Hollanders zweven tussen drie culturen. ,,De Indische cultuur kennen we, de Hollandse kennen we, de Ghanese moeten we nog ontdekken.' Hij is zich sinds vijf jaar bewust van zijn Afrikaanse achtergrond. Bij zijn Indische buren heerste ,,zo'n typisch adoe-sfeertje.' Klink begreep voordien nooit waarom dat bij hem thuis ontbrak – ze kwamen toch ook uit Indië?

Het was door een tip van een amateurhistoricus dat Daniël Cordus, tot zijn pensioen werkzaam in de buitendienst bij het GAK, begin jaren tachtig de archieven in dook en er het geheim van de Belanda items ontwaarde. In het Algemeen Rijksarchief vond hij in de scheepsregisters de naam van zijn overgrootvader, die in 1837 werd geworven als `Afrikaansch fusilier'. `Was lijfeigene' staat erbij. ,,Het was een opluchting', zegt Cordus. ,,Allerlei geruchten deden de ronde over onze afkomst. Nu kenden we onze geschiedenis.' Zijn ouders spraken nooit over het verleden. ,,Ze vonden het klaarblijkelijk niet belangrijk.'

Cordus en zijn vrouw Evelien, ook een Belanda item, groeiden op in Pourworedjo, een dorp in Noord-Java. Daar waren de meeste Ghanese voorvaderen neergestreken nadat hun contract met het KNIL was afgelopen. Ze trouwden met een Indische vrouw, kregen een lapje grond van de regering. Er was een Nederlandse school. Hun kinderen werden ambtenaar of militair. Vergeleken met de lokale bevolking waren de zwarte Hollanders, zoals ze zich ook toen al noemden, in goeden doen. De gemeenschap, zo'n 32 families, leefde geïsoleerd, in een aparte wijk. ,,Mijn Indische verwanten ken ik niet', zegt Daniël Cordus. ,,Ik vermoed dat ze het toch niet goedkeurden, die zwarte mensen.' Hij kwam in 1954 met zijn vrouw en drie kinderen naar Nederland, waar nog zeven kinderen geboren werden.

Voor hun oudste dochter Joyce (49) was de ontdekking van haar herkomst een bevestiging. ,,Ik zocht aansluiting bij Indo's, maar die vond ik niet. Ik hield meer van Afrikaanse feesten, van Afrikaanse muziek. Dat kon ik niet plaatsen. Totdat ik hoorde van mijn Ghanese roots.'

Haar dochter, Sandrijn Dekkers (29), is in februari dit jaar naar Ghana gegaan. Als eerste van de familie – haar grootouders gaan er volgende maand naar toe. ,,Ik voelde er een bepaalde verantwoordelijkheid, je gaat niet alleen om vakantie te houden.' De Ghanezen hielden haar aanvankelijk voor een blanke toeriste. ,,Naarmate de reis vorderde, werd mijn huid donkerder, en vroegen ze naar mijn afkomst.' Sandrijn bezocht slavenforten, ook dat in Elmina, vanwaar haar betovergrootvader was verscheept. ,,Heel indrukwekkend. In een van die forten deed de gids het licht uit, en liet ons aan ons lot over. Dat was zó naar. Zo moeten die slaven zich ook gevoeld hebben.'

De nood was hoog in het KNIL in de negentiende eeuw. De Nederlanders konden hun leger niet met Europeanen alleen op sterkte brengen om hun kolonie onder de knoet te houden. Het kwam daarom goed uit dat Nederland nog een fort bezat aan de Afrikaanse Goudkust. Een minikolonie in het kustplaatsje Elmina, in het rijk der Ashanti, die diende voor de overslag van goud en slaven. In 1831 besloot de Nederlandse regering om daar rekruten te ronselen. De negers waren sterk, stonden bekend als goede vechters en waren bestand tegen de tropische hitte – ideale KNIL-soldaten. Drieduizend werden er tussen 1836 en 1872 voor honderd gulden de man vrijgekocht van hun meester. Ze werden omgedoopt tot Piet Klink, Jacob Jansen, Klaas Zuurzak, Hein IJs of Joost Vondel. In zeilschepen vol zuurkool, scheepsbeschuit en stokvis werden ze via Kaap de Goede Hoop naar de Oost gebracht, om er het Huis van Oranje te dienen.

Ze gingen zogenaamd vrijwillig, want de slavenhandel was in het begin van de negentiende eeuw afgeschaft. In werkelijkheid hadden de Ghanezen weinig in te brengen. De soldatenronselaar ter plekke schreef dan ook onomwonden over `slaven'. Ze kregen een contract van vijftien jaar, hun losgeld werd in maandelijkse termijnen van de soldij afgetrokken. Daarna waren ze vrij als ze overleefden. Van sommige scheepslichtingen stierf de helft binnen een jaar na aankomst in Indië. Door ziekten, maar ook zelfmoord kwam vaak voor, schreef dokter L. Lindman in 1859 in het Geneeskundig Tijdschrift van Nederlands Indië. Tot zijn verbazing, want `nostalgie' kon niet de oorzaak zijn, meende hij, omdat `de behandeling onzer soldaten niets te wenschen overlaat'. Hij weet de `zoo duistere zielsziekte', na obductie op het lijk, aan `het zeer uitgezette colon' (karteldarm, red).

De eerste lichting van vierenveertig soldaten, die tussen 1831 en 1834 naar Indië vertrokken, ging echt vrijwillig, zo blijkt op de reünie. Het waren vooral mulatten, nazaten van Nederlandse gezagvoerders in Elmina. Nee, haast Thad Ulzen zich te zeggen, ,,¡k stam niet van slaven af'. De forensisch psychiater die naar Amerika emigreerde, komt van een ,,zeer vooraanstaande Ghanese familie', benadrukt hij. Later op de dag zal hij de Belanda items een museum aanbieden in zijn familiehuis in Elmina, zodat ze ook in Ghana hun verhaal kunnen verspreiden. Manus Ulzen, de kleinzoon van een Nederlandse gouverneur in Elmina en de betovergrootvader van Thad, vertrok in 1832 vrijwillig als rekruut naar Indië. Met een schotwond in het been keerde hij na een paar jaar terug, en kwam te werken op het Nederlandse slavenfort.

De mulatten waren met te weinig om de nood in het KNIL te lenigen, en zwarten dienden zich niet vrijwillig aan om in onbekende verten hun leven te wagen. In 1836 besloot koning Willem I het voortvarender aan te pakken. Hij stuurde in het geheim – de Engelsen keken mee – een missie naar de koning van de Ashanti, Kwaku Dua, om manschappen te werven. De Nederlandse belangen waren groot – kosten noch moeite werden gespaard om de expeditie te laten slagen. Met veel vertoon liet de gezant, generaal-majoor Jan Verveer, zich in januari 1837 door vier negers in een palankijn het oerwoud in dragen, de fanfare voorop. Hij werd gevolgd door een stoet van negenhonderd man, waaronder zeshonderd slaven. Toen de expeditie na weken lopen op Ashantijns grondgebied aankwam, was juist de hoogste onderdaan van de koning ter ziele gegaan. De Ashantikoning liet weten dat hij de plechtigheden moest bijwonen en niet kon ontvangen. Of de expeditie nog een paar weken wilde wachten. Om de tijd te helpen doden, `zond hij hun zes jonge meisjes cadeau en een grooten pot palmwijn', zo blijkt uit het dagboek van een van de gezanten, waarvan in 1907 een samenvatting verscheen in het Weekblad voor Indië.

Uiteindelijk toog Verveer onder trompetgeschal naar de Ashantijnse koning, die hij overlaadde met geschenken – champagne, pistolen, zeep, kruit en `rood ponceau laken'. De vorst beloofde dat hij binnen een jaar duizend `vrijwillige' manschappen zou leveren. Per rekruut kreeg de Ashantikoning de waarde van tweeënhalf ons goud, uit te betalen in wapens en kruit. Tweeduizend schietijzers kreeg hij als voorschot.

Niet dat de koning zijn beloften gestand deed. Na zeventien maanden had hij slechts tachtig man geleverd, klaagde J. Huijdecooper in een brief aan het Nederlandse gezag in Elmina. Hij was een mulat, de Afrikaanse afstammeling van de vroegere directeur-generaal van de West Indische Compagnie, en kocht slaven op van de Ashantijnen. Uiteindelijk was hij het, en niet de koning, die het grootste deel van de drieduizend Ghanese KNIL-soldaten fourneerde. Een deel van hen zou vijftien jaar later naar Ghana terugkeren, met stoomboten door het Suezkanaal, via Harderwijk, waar ze werden `gepasporteerd'.

De overlevering wil dat deze veteranen hun vaderland van Indische batikstoffen voorzagen. Waarschijnlijk waren het niet de soldaten, maar de Nederlanders die daar in de negentiende eeuw brood in zagen. In Ghana vonden de `Javaprints' gretig aftrek. Nog steeds. De modeshow op de reünie, van Ghanese klederdracht – met Javaanse batikmotieven – is gesponsord door Vlisco uit Helmond. Het textielbedrijf produceert in Nederland zo'n achttien miljoen yards batikstof. En evenzoveel in Ghana, vertelt de beheerder van het Vlisco-museum Jan van der Heijden. Voor de Afrikaanse markt. ,,De Javaprints zijn bij ons heel bekend', beaamt Thad van Ulzen. ,,Net als de Javaberg, die ook zijn naam ontleent aan de banden met Nederlands Indië. De Ghanese cultuur is zó verweven met de Nederlandse. Jullie hebben er ten slotte driehonderd jaar gezeten!'

Maakte Nederland zich in de achttiende eeuw met de werving van gastarbeiders avant la lettre schuldig aan slavenhandel? ,,Technisch gezien waren de Belanda items geen slaven', zegt de Amerikaanse hoogleraar vergelijkende geschiedenis Allison Blakely. ,,Maar het was een manier om de regels te omzeilen, verkapte slavernij.'

In 1993 verscheen Blakely's boek Blacks in the Dutch World, de neerslag van een jarenlange studie naar het ontstaan van racisme in Nederland. De zoektocht was ingegeven door Blakely's persoonlijke ervaring als zwarte in Nederland, waar hij een jaar lang verbleef en de taal leerde. In Alabama was hij gewend gediscrimineerd te worden. ,,Aanvankelijk was ik verrast dat ik hier met alle égards werd ontvangen', vertelt hij. ,,Totdat halverwege de jaren zeventig de Surinamers en Antillianen in groten getale kwamen. Ineens werd ik voor een Surinamer aangezien, en gediscrimineerd. De stoel naast mij in de tram bleef leeg, in winkels werd ik kil benaderd als ik in het Nederlands, met accent, het woord deed.' De slavernij, de traditionele man-vrouwverhouding en winstbejag hebben in Nederland het racisme versterkt, zegt Blakely. ,,Maar het blijft moeilijk te begrijpen dat mensen anderen aan zoiets als slavernij kunnen onderwerpen.'

Nederland bezint zich op de rol die het daarin in het verleden heeft gespeeld. Er komt een nationaal slavenmonument, is inmiddels besloten. Dat de roep om genoegdoening nu manifest wordt, komt volgens Blakely doordat er de afgelopen decennia grote groepen Surinamers en Antillianen naar Nederland zijn gekomen. ,,Die verkeren nog steeds in slechtere sociaal-economische omstandigheden dan de blanken, en zien dat als een gevolg van de slavernij. Er zijn ook veel Nederlanders die oprecht vinden dat er iets gedaan moet worden om duidelijk te maken hoe groot het onrecht was.'

Voor de Belanda items hoeft het niet zo, dat slavenmonument. Zij voelen zich niet echt afstammelingen van slaven. Voor hen telt meer het zoeken naar waar ze vandaan komen, naar hun identiteit. Hoe zou Daniël Cordus die omschrijven? ,,We zijn Nederlanders, hebben een Indische opvoeding gehad, hebben affiniteit met Ghana... Tsja. We zijn gewoon Belanda items.'

We waren nooit in Afrika geweest toen we ontdekten dat we Ghanees bloed hadden

Voor de Belanda items hoeft het niet zo, dat nationale slavenmonument

Slaaf van Oranje

Bij het artikel Slaaf van Oranje (in de krant van zaterdag 9 september, pagina 41) ontbrak het naschrift: Met dank aan Adam van Enk.