`Pas op voor sociale gevolgen racisme'

Cultureel Antropoloog Van Donselaar doet onderzoek naar racistische uitingen in Nederland. Hij ziet de overheid te vaak sussen.

Waren het uitgesproken racisten of waren het door drank opgelierde jongens die hun agressie without a cause – weliswaar bewust, maar toch toevallig – op het asielzoekerscentrum in Roden botvierden? De politie Drenthe, die het onderzoek inmiddels bijna heeft afgerond, neigt naar de tweede verklaring. `Gesterkt door drank ontstond er een sfeer, dat men niet voor elkaar onder wilde doen', staat in een persbericht dat gisteren werd uitgegeven over het voorval van woensdag 30 augustus.

,,Het is platvloers'', zegt de politiewoordvoerder, zonder overigens de ernst van het misdrijf zelf te bagatelliseren. Maar: ,,Er zit geen ideologie achter. We hebben bij hen thuis geen racistische tijdschriften of zoiets gevonden.''

Kan Roden, kan Drenthe, kan Nederland opgelucht ademhalen? Eerder deze week kwam in de Tweede Kamer de agressie tegen buitenlanders ter sprake. Volgens de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) is er `een `lichte toename' te constateren van racistisch geweld. En ook in dit verband werd benadrukt – door minister De Vries van Binnenlandse Zaken – dat jongeren zulke delicten `min of meer toevallig' begaan. Dat ze geen `georganiseerde achtergrond' hebben. ,,De temperatuur is niet duidelijk aan het oplopen'', concludeerde minister Korthals van Justitie in dezelfde vergadering.

Dr. J. van Donselaar, cultureel antropoloog te Leiden, hoort de opluchting eigenlijk iets te vaak. Hij doet al twintig jaar onderzoek naar nationalistische en racistische uitingen in Nederland. Sinds vijf jaar doet hij dat, in samenwerking met de BVD, in opdracht van de overheid. Zijn scepsis heeft geen betrekking op de cijfers van racistisch geweld – volgens hem schommelt het aantal geregistreerde voorvallen al jaren rond de 250, al zou het hem op basis van internationale vergelijkingen niet verbazen als je dat getal met tien of twintig moest vermenigvuldigen om aan het werkelijke cijfer te komen.

Donselaar ziet te vaak de sussende reactie van de overheid. ,,Met de beste bedoelingen'', zegt hij erbij. Bijvoorbeeld om imitatiegedrag te ontmoedigen. Of om geen onnodige paniek te veroorzaken. Maar volgens Van Donselaar gaat de overheid daarmee voorbij aan het feit dat (de dreiging van) racistisch geweld, bijvoorbeeld de molotov-cocktails in Roden, veel emoties losmaakt bij de potentiële slachtoffers.

Van Donselaar noemt een paar voorbeelden waaruit blijkt hoe hard racistische dreiging, of veronderstelde dreiging, doorwerkt in de samenleving. In 1996 demonstreerden de extreemrechtse partijen CD en CP'86 in Zwolle en Leerdam. De burgemeesters meenden dat een gezonde democratie daar tegen moest kunnen. Maar in allochtone families werden maatregelen genomen alsof ze een belegering moesten doorstaan. Er werden levensmiddelen gehamsterd. Bij andere etnische groepen viel op dat de mannen bij oude moeders en tantes gingen logeren om hen zonodig te beschermen.

Ook buitenlandse voorvallen werken door in Nederland, zegt Van Donselaar. Toen in 1993 neonazi's in het Duitse Solingen een huis in brand staken, waarbij enkele Turken omkwamen, werden in Nederland ineens meer brandblussers en brandladders verkocht. Tijdens de affaire-Rodney King in 1991, waarbij een zwarte man keihard werd afgetuigd door de politie van Los Angeles, sprak Van Donselaar een Rotterdamse politieman. Die hield zijn hart vast voor wat er zou gebeuren als er op dat moment een ongelukkig arrestatie-incident zou plaatsvinden in zijn eigen stad. De affaire had veel onrust veroorzaakt onder zwarte bevolkingsgroepen in Rotterdam.

,,De overheid heeft te weinig oog voor de sociale component van racisme'', vindt Van Donselaar. ,,Een deel van de schade van extreem-rechts blijft onder de oppervlakte. Een uiterst kleine groep heeft, meer indirect dan direct, onevenredig veel invloed op de maatschappij en met name op het integratievraagstuk.'' Racistische uitingen – variërend van beledigingen op straat tot en met het gooien van een molotov-cocktail – en het (schijnbaar) uitblijven van een reactie van politie of justitie, trekken sommige groepen minderheden zich terug in hun eigen bastion. Het kan zich uiten in segregatie, of in gevoelens van `dit pikken we niet meer', zelf terugslaan, of zelf geweld gebruiken. Van alle varianten heeft Van Donselaar voorbeelden gezien. In Nederland incidenteel, uit het buitenland kent hij onderzoeken. Naar het verband tussen racistisch geweld en verhuisgedrag of schoolkeuze bijvoorbeeld, in Engeland. In Duitsland is door wetenschappers een verband gelegd tussen de afgenomen taalbeheersing van de derde generatie Turken en de angst voor racisme.

Tijdens de discussie in de Tweede Kamer deze week stelde D66'er Dittrich dat aangiften van discriminatie `zeer regelmatig' niet aan het openbaar ministerie worden doorgespeeld. Van Donselaar: ,,De meeste gevallen van racistisch geweld worden niet opgelost. En dan is de vraag: is het onmacht, onwil of desinteresse van de politie? Een ding is zeker, als justitie niet vervolgt, neemt de angst en woede onder allochtonen alleen maar toe.''