MEISJE SLECHTER IN REËEL REKENEN MAAR ZET WEL DOOR

Meisjes zijn op de basisschool slechter dan jongens in het oplossen van `realistische' rekenproblemen en hebben ook minder zelfvertrouwen tijdens het uitvoeren van die taak. Maar opmerkelijk genoeg vertonen de meisjes wel meer doorzettingsvermogen. Bij gewone rekenopdrachten bestaan deze verschillen tussen jongens en meisjes niet. Dit blijkt uit een onderzoek door Harriet Vermeer, Monique Boekaerts en Gerard Seegers (Universiteit Leiden) onder 158 scholieren uit groep zes, afkomstig van 12 verschillende basisscholen (Journal of Educational Psychology, juni).

Een voorbeeld van een realistisch probleem is: `Een dag voor aanvang zijn voor een popconcert 45.450 kaartjes verkocht. Vier procent is nog niet verkocht. Hoeveel kaartjes zijn er nog?'. Een voorbeeld van een (simpeler) gewone rekensom is: 5 % x 46.460 =....?

Uit onderzoek van het Cito was al langer bekend dat jongens in de realistische sommen beter scoren dan meisjes. De Leidse onderwijskundigen onderzochten het zelfvertrouwen en het doorzettingsvermogen tijdens het maken van de sommen, maar ook zij constateerden in hun steekproef dat de jongens duidelijk beter waren dan meisjes in het `realistisch rekenen'. Het vertrouwen werd gemeten door de kinderen tijdens het maken van de opgaven regelmatig een gezichtje te laten aankruisen uit een reeks van droefheid naar vrolijkheid. Het doorzettingsvermogen werd vastgesteld door ieder kind dat tijdens de individuele test een vraag fout beantwoordde, de mogelijkheid te geven het onmiddellijk nog eens te proberen.

De onderzoekers noemen (in verband met het streven naar gelijkheid tussen jongens en meisjes) de uitkomsten van hun onderzoek `zorgelijk' omdat het realistisch rekenen al sinds vele jaren het rekenonderwijs op de basisschool dicteert (gebaseerd op de ideeën van de Utrechtse hoogleraar Freudenthal en zijn opvolger Treffers). Het realistisch rekenen vergt meer van de leerlingen dan gewone sommen maken, onder meer omdat ze moeten nadenken over welke rekenregels ze op het probleem moeten of kunnen loslaten. Tijdens het oplossen kunnen veel meer struikelblokken opduiken dan bij het maken van een gewone som.

Vanwege de vele struikelblokken zouden affectieve reacties (zoals zelfvertrouwen) bij dit type opgaven wel eens belangrijker kunnen zijn dan bij gewone sommen. Het feit dat de meisjes wèl groter doorzettingsvermogen aan de dag legden bij de realistische sommen (die ze dus moeilijker vinden), betekent volgens de onderzoekers dat er met de motivering van de meisjes niet zo veel mis hoeft te zijn. Van `aangeleerde hulpeloosheid' was geen sprake.