Indianen tekenen jungle met viltstift

Hoe en wat tekenen mensen die nog nooit een potlood, pen of krijtje in hun handen hebben gehad? Dat is wat beeldend kunstenaar Marion Hoekveld en fotograaf Michel Pellanders zich afvroegen toen zij gedurende bijna drie jaar zo'n vijftien indianenvolken in de Braziliaanse Amazone bezochten. En dus sjouwde het tweetal behalve een muskietennet en een kapmes ook een verzameling viltstiften en een pak papier mee de jungle in. De tekeningen die de Matís, Awá, Yanomami en andere indianen hiermee maakten zijn nu te zien in de Rotterdamse Kunsthal.

Dit is de eerste keer dat de tekeningen van Braziliaanse indianenvolken publiekelijk te zien zijn. Niet alleen zijn de oerwoudbewoners onbekend met de tweedimensionale expressie, hun wereldbeeld verschilt radicaal van het onze. De Amazone-indianen kennen geen links en rechts, meten de tijd ruwweg aan de stand van de zon, hebben een telsysteem dat niet verder gaat dan `een, twee, veel', en zijn niet bekend met geld of bezit. Dat alles beïnvloedt wat de oerwoudbewoners afbeelden, en ook hoe ze dat doen.

De tekenende indianen zijn `primitieven' in kunsthistorische zin aangezien ze geen perspectief kennen. Horizonlijnen, die gewoonlijk `hier' en `daar' een plaats geven in een afbeelding, ontbreken. Het gebrek aan diepte is wellicht te herleiden tot de afwezigheid van een tekentraditie maar kan ook samenhangen met de oerwoudomgeving, waarin men zelden verder dan een paar meter ver kan kijken en het leven zich niet alleen horizontaal uitstrekt maar ook verticaal. Een op een vlakte gebouwde maloca, een communale dorpshut, zweeft midden op papier.

De meeste tekeningen, vol dieren, abstract gebladerte en een enkele mensfiguur,zijn opgebouwd vanuit het midden. Van binnen naar buiten, en ondertussen voortdurend het blad ronddraaiend, hebben de kunstenaars alle beschikbare ruimte gevuld. Beeltenissen van stukken bos zien er uit als een woeste storm van streepjes, punten en vegen. Het imiteren van het handschrift is een geliefde bezigheid onder de veelal analfabete tekenaars; de resulterende slierten houden het tussen graffiti en hiërogliefen. Een decoratief hoogtepunt wordt bereikt met de geometrische lijnpatronen die in het dagelijks leven worden toegepast als op de huid geschilderde weergaven van de sociale status.

In de meeste tekeningen hebben de indianen zich beperkt tot slechts één kleur vilstift. Aangezien kleur als abstractie een voor hen onbekend begrip is, kan bijvoorbeeld een rode pen alleen gebruikt worden voor een even rode boomschors of bloem en onmogelijk voor iets dat in werkelijkheid niet die kleur heeft. Men kan dus aannemen dat het felle geel, groen en paars waarmee vooral vissen zijn ingekleurd een realistische weergave vormt.

Dat niet alleen het oerwoud maar ook de bewoners ervan kleurrijk zijn, blijkt wel uit de foto's, vooral portretten, van Michel Pellanders die op de tentoonstelling tussen de tekeningen hangen. De dicht op de huidse weergave vormt een mooie parallel met het claustrofobische blikveld van de oerwoudomgeving. Wie langer kijkt wordt geraakt door de open blik van bijna alle geportretteerden. Geen angst, berusting of vragende blik, zelfs niet de trots die door westerlingen zo vaak aan inheemse volken wordt toegeschreven. Er is enkel een vanzelfsprekende aanwezigheid. Alsof het eigen bestaan, ondanks zendelingen, goudzoekers en antropologen, een natuurlijke constante is, net als die van het oerwoud.

Tentoonstelling: Awí! Amazone Indianen t/m 10/12 in de Kunsthal, Westzeedijk 341 Rotterdam. Open: di-zat: 10-17u., zon: 11-17u. Boek `Awí!', 177p., ƒ65,-.