Houthakker

Met de tram langs het Rokin rijdend, zag ik plotseling puinbakken staan. Moeten wij dat weten, zult u vragen. Op het Rokin staan meestal puinbakken. Deze keer leek het erger. Ze stonden voor nummer 98, de winkel Bernhard Houthakker, eigendom van en beheerd door Lodewijk. Hoe vaak had ik ervoor gestaan, zeventiende-eeuwse grafiek bewonderd; hoe vaak was ik naar binnen gegaan, gastvrij door Lodewijk ontvangen. Een jaar of dertig geleden, toen ik eens in een sombere bui was, liep ik hem op het Spui tegen het lijf. Kom mee, zei hij. Ik zal je iets laten zien waar je van opkikkert. We gingen naar de winkel. Hij liet me een zeer grote gravure zien, voorstellend de achtersteven van het vlaggenschip van Lodewijk XIV. We bewonderden het vakmanschap van de kunstenaar en het optimisme van de scheepsbouwer. Lodewijk Houthakker schonk een glas sherry. Er was weer leven op aarde.

Nu dus op deze vermotregende vrijdagochtend, zoveel later. De ruiten waren eruit, er lag een loopplank waarover het puin naar de container werd vervoerd. Ik keek, ontdekte dat ik niet alleen was. Naast me stond iemand aan wiens gezicht ik kon zien dat hij beheerst werd door het gevoel dat zoveel Amsterdammers maar al te goed kennen. Dat van machteloos verzet en het zich vergeefs afvragen: waarom?

Toch moest ik er het mijne van weten. Ik liep de winkel van Hajenius binnen. De heer Dick Nooy stelde me enigszins gerust. Ja, Houthakker was eruit, maar in dit pand zou zich geen vernieuwde afhaalchinees vestigen. Binnenkort wordt het betrokken door de juwelier Premsela. En Hajenius zelf? De heer Nooy lachte hartelijk. Tot vèr in de volgende eeuw.

Zo gek is het niet even navraag te doen als je het ergste vreest. Het vorige slachtoffer was boekhandel Allert de Lange aan het Damrak. Ook die winkel was opeens door de kaalslag van het Amsterdamse centrum getroffen. Ook toen wilde ik er het mijne van weten, ging informeren bij de buren die een souvenier- en pornomagazijn hielden. Ik herinner me dat ik daar zeer onvriendelijk werd ontvangen, door een zwaar gebouwde man die me met gefronst voorhoofd, onderuitkijkend, bestudeerde. De blik van wegwezen! Later heb ik gehoord dat er een advocatenkantoor komt.

Misschien was ik er niet over begonnen, als niet dezer dagen opnieuw een omvangrijke gedachtewisseling over de toekomst van het Amsterdamse centrum was aangezwengeld, gestart, hoe noem je zoiets. Door allerlei oorzaken gaat het niet goed met het oude centrum. Het is een ingewikkelde zaak. Eén oorzaak, waarover ik hier zo vaak heb geschreven dat ik niet nog eens begin, is dat het stadsbestuur het beheer van het centrum uit de hand heeft laten lopen, zodat nu de route van het Centraal Station naar de Amstel via het Rembrandtplein één grote aorta van eigentijdse koek en zopie is – frieten, hamburgers, ansichten, porno, en vult u het verder zelf in. De tweede is dat het stadsbestuur gewoon, normaal, regelmatig onderhoud verwisselt met het `op de schop nemen'. Als je iets goed onderhoudt, hoef je het niet op de schop te nemen. De derde oorzaak is dat het stadsbestuur niet is opgewassen tegen de vertakkingen van de aorta, zoals aan het begin van de Spuistraat, die inmiddels in een hoerenbuurt is veranderd. Zo heb ik mezelf genoeg herhaald.

Er zijn ook andere oorzaken: het stijgen van de huizenprijzen aan de grachten, het verkeersvraagstuk, het permanent manke openbaar vervoer. Ik onderschat het niet. Het moet een hels werk zijn om het allemaal redelijk in orde te houden. Maar het is mogelijk. In Manhattan verkeerden Times Square en omgeving in een vergelijkbare toestand. De gemeente – voornamelijk in de persoon van de hier geminachte Rudolf Giuliani, en ik geef toe, hij heeft zijn tekortkomingen – wist in samenwerking met het bedrijfsleven het gebied weer op poten te krijgen. Het nadeel van Amsterdam – die indruk krijg je soms – is dat het bedrijfsleven het wel gelooft en zich aan de Zuidas vestigt. Dat is een stadsgebied in voorbeeldige ontwikkeling.

Een stad is als een frontgebied. Als de ene partij zich terugtrekt, wordt het door de andere bezet. En nu moet Amsterdam, zoals iedere grote stad, het hoofd bieden aan het toerisme, de zegen en de sprinkhanenplaag van deze tijd. De mensen die in de binnenstad werken of wonen, of beide, worden bijvoorbeeld horendol van de blowers die van heinde en verre hun genot komen halen. Het is niet het genot, het zijn de bijverschijnselen.

Toerisme zou moeten worden behandeld zoals we dat sinds eeuwen met het water doen. Toerismebeheersing, kanalisering, bedijking, het aanwijzen van gebieden die we onder toerisme kunnen zetten als de stad het niet meer aan kan. Denk er eens over.

De zaak van de verdwenen sculpturen. De meldingen blijven komen. Ik heb nu ook brieven gekregen van mensen die een onbekende sculptuur in een opslagplaats hebben aangetroffen. Misschien elders vermist? Zoveel is zeker: Nederland staat vol verdwenen standbeelden. Een kaart is in voorbereiding. Weet u van een geval, wil het mij melden. Uiterste datum: 30 september as.