Homohuwelijk

BRAZILIË IS onlangs overgegaan tot erkenning van ,,stabiele verbintenissen'' tussen personen van hetzelfde geslacht. Frankrijk kent – overigens na bittere discussies – tegenwoordig het zogeheten PACS, dat levenspartners van hetzelfde geslacht het recht geeft een gezamenlijke belastingaangifte in te dienen als waren zij gehuwd. Maar een echt huwelijk wordt het, zowel in Brazilië als Frankrijk, niet.

Nederland zet nu wel de stap naar het volwaardige ,,homohuwelijk''. Of beter gezegd: het schaft deze term af, want het burgerlijk huwelijk maakt voortaan geen onderscheid meer naar geslacht of seksuele voorkeur. Deze maatstaf is ontleend aan de Grondwet. Toch ontmoet het wetsvoorstel om het huwelijk open te stellen kritiek uit confessionele hoek in het parlement. Nederland heeft al het ,,geregistreerd partnerschap'' ingevoerd, compleet met bevestiging door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dit partnerschap komt in zijn rechtsgevolgen (belastingen, pensioen, erfenis) verregaand tegemoet aan de grondwettelijke eis van gelijkberechtiging.

Waarom moet er dan toch nog worden gemorreld aan het huwelijk, dat volgens de wet alleen kan worden voltrokken tussen man en vrouw? Deze vraag valt niet los te zien van de wettelijke betekenis van de echtverbintenis. Het Burgerlijk Wetboek is daar duidelijk over. Het huwelijk heeft alleen betrekking op de ,,burgerlijke betrekkingen''. Aan de sacrale en emotionele dimensie heeft de staat geen andere boodschap dan dat de kerkelijke voltrekking niet in de plaats kan treden, of zelfs vooraf mag gaan, aan de wettelijke voltrekking. Scheiding van kerk en staat.

DE VRAAG WAAROM het huwelijk moet worden opengesteld lijkt dan ook eerder: waarom niet? De burgerlijke betrekkingen tussen levenspartners van hetzelfde geslacht zijn in feite immers al gedekt. Dus waarom dan moeilijk gedaan over het laatste, logische stapje? De tegenstanders hebben echter ook gelijk als zij deze vraag op hun beurt omkeren. Als die betrekkingen al behoorlijk zijn ondergebracht is er des te minder reden het reguliere huwelijk open te breken.

De tegenstanders hebben echter een handicap: de verschillen waarom het hun gaat hebben kennelijk niet zozeer betrekking op de rechtsverhouding, maar op de affectieve elementen van het huwelijk. En daar dient de staat nu juist buiten te blijven. Omgekeerd maakt dat het beroep op gelijkberechting van de voorstanders er ook niet sterker op, want daarbij gaat het kennelijk ook om een vorm van erkenning die niet primair slaat op de burgerlijke betrekkingen die nu juist centraal behoren te staan.

Strikt genomen stond de inzet van de Kamerdiscussie dan ook goeddeels buiten haken. Het was vooral een symbolisch debat. Er is echter, ook in de gelijkberechtigingsdoctrine, één verschil: de kinderen. De werkelijke inzet van het Kamerdebat was dan ook niet de openstelling van het huwelijk, maar de daarmee verbonden verruiming van de adoptie. Daarin ligt wel een relevant onderscheid. Bij een huwelijk van personen van hetzelfde geslacht met kinderen is altijd een derde betrokken als geboorteouder. De regering heeft ook erkend dat het te ver gaat aan te nemen dat een kind dat geboren wordt binnen een huwelijk van twee vrouwen in juridisch opzicht afstamt van beide vrouwen. De afstand tussen werkelijkheid en recht zou dan te groot worden.

OOK VAN DIT KNELPUNT zijn de scherpste kantjes inmiddels wel afgeslepen door recente wijzigingen in de regels voor gezamenlijk ouderlijk gezag en eenouderadoptie. De nieuwe adoptiewet gaat nog weer wat verder, maar de regering waarschuwt met reden de straks volledig erkende Nederlandse paren van hetzelfde geslacht dat zij bij buitenlandse adoptie voorlopig slechts onbegrip, zo niet regelrechte weerstand hebben te verwachten.

Andermaal is het thema ,,Nederland gidsland'' aan de orde. Wat het huwelijk zelf betreft zal het wel meevallen. Zie Brazilië en Frankrijk en sommige deelstaten van de VS. Maar de kinderen blijven een moeilijk punt. Ook in Nederland trouwens. Het kan straks voorkomen, waarschuwde een ervaren rechtsgeleerde vorig jaar in het blad Mr, dat een minderjarig kind op maar liefst zeven personen een alimentatievordering heeft. Over ,,dejuridisering'' – ook een programmapunt van het kabinet – gesproken.