`Hét verhaal schuif ik nog steeds voor me uit'

Toen PvdA-politicus Ed van Thijn met pensioen ging, moest hij een oude belofte inlossen: zijn herinneringen als ondergedoken kind te boek stellen. Dat werd Het verhaal, dat komende week verschijnt. `Mijn dochter heeft mij mijn moeder teruggegeven.' En: `Je hoeft er niet aan onderdoor te gaan. Dat is de essentie.'

Wijst hij nou naar zijn neus? Naar zijn weerbarstige haardos? Naar zijn bruine teint? De vraag `hoe kan ik zien dat u joods bent', heeft Ed van Thijn in verlegenheid gebracht. De woorden die anders zo makkelijk komen, blijven ineens in halve zinnen steken, hij maakt vage gebaren in de richting van zijn gezicht. Zit daar iets bij dat ik als typisch joods zou moeten herkennen?

Het is zijn eigen schuld. Hij is er zelf over begonnen. In zijn boek Het verhaal, dat volgende week verschijnt, beschrijft Van Thijn (65) hoe hij, jonge man nog, tot twee keer toe in elkaar geslagen is door hem volstrekt onbekende mensen. Een keer in Amsterdam, dan sissen ze: `Vuile rotjood!' Een keer in Parijs, waar hij studeert, en dan roepen ze: `Sale Juif!' Zijn joodsheid moet hem dus aan te zien zijn. Ook in de tijd dat hij ,,er niet mee te koop liep'', zoals hij het zelf noemt.

,,Ik moet het antwoord schuldig blijven'', zegt Van Thijn ten slotte.

Het is niet de eerste en ook niet de laatste keer dat we op een paradox stuiten in dit gesprek. De oud-minister, oud-burgemeester van Amsterdam, tegenwoordig Eerste-Kamerlid voor de PvdA, en vooral schrijver, zit een beetje scheef op de bank in zijn huiskamer, Amsterdam Oud-Zuid, en zegt: ,,Het zijn eigenlijk allemáál paradoxen.''

Deze bijvoorbeeld. Zijn ouders waren geassimileerde joden die niet aan joodse opvoeding of tradities deden. Die hun zoon naar het Christelijk Lyceum stuurden. Maar intussen. Intussen ,,hadden mijn ouders uitsluitend joodse vrienden, die op joodse feestdagen toevallig altijd bijeenkwamen.'' Intussen waren de maaltijden onder een andere vlag toch koosjer. ,,Ik mocht geen paling eten, maar dat was dan zogenaamd omdat ik astma had.'' Hij laat meteen merken dat zijn eigen assimilatie verder ging dan die van zijn ouders: ,,Ik ben nog steeds dol op paling en spek.''

Maar ook zijn eigen handelingen zijn soms paradoxaal. De ,,ongeorganiseerde jood'' die geen lid wilde zijn van een joods dispuut bij de studentenvereniging, niet wilde roeien bij de joodse club Poseidon, zich schaamde voor zijn ouders en hun zondagse uitstapjes met joodse vrienden, die een hekel had aan Max Tailleur en diens moppen over Sam en Moos. Maar die vervolgens toch bij Poseidon ging roeien, wiens beste vrienden ineens toch allemaal joods bleken te zijn, en die zijn haar liet knippen bij een kapper op het Rembrandtplein, waar Max Tailleur altijd rondliep, `altijd grappen makend'.

Het zijn de paradoxen van de assimilant, concludeert Van Thijn. Niet willen horen bij het milieu waar hij zich uiteindelijk toch het veiligst voelt. De paradox van een identiteit die zich aan je opdringt. Zoals hij later in het gesprek de uitspraak: ,,Ik besloot in 1973 een joods politicus te worden'', corrigeert tot: ,,Het werd voor mij besloten in mijzelf.''

Om zich meteen te realiseren dat die formulering ook weer nieuwe vragen oproept die zich lastig laten beantwoorden. ,,Voor mij was jodendom een kwestie van lotsverbondenheid'', zegt hij. ,,Ik wil mijn identiteit niet laten afhangen van dogmatici noch van antisemieten.''

Hij wil zo graag het verhaal van het boek vertellen, zegt hij als dit soort vragen te lang blijven hangen. Dat te schrijven was al moeilijk genoeg en ,,ik wil liever niet méér zeggen dan ik geschreven heb''.

Het verhaal heet het boek. Hét verhaal, zegt Van Thijn consequent, met accent, want hij is nooit bang geweest voor effectbejag, hij heeft een trefzeker en bewust taalgebruik, zowel mondeling als op papier. ,,Toen ik fractievoorzitter was in de Tweede Kamer was ik een rekenmachine. Ik wist precies welke woorden ik moest kiezen en wat hun uitwerking zou zijn.''

,,Het verhaal'', zegt hij, ,,is iets dat je altijd bij je draagt, en steeds voor je uit schuift.'' Als een kistje.

Toen zijn moeder stierf, in 1976, was Ed van Thijn 42 jaar en voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA. De verhouding tussen moeder en zoon was slecht, daar doet Van Thijn in boek noch interview geheimzinnig over. Ze heet in het boek `onmogelijk', `hysterisch', `overheersend'. De zoon beschrijft de ruzies met zijn moeder van het smijten met potten pindakaas tot aan de elektroshock die de veertienjarige Eddy van een kinderpsychiater kreeg, in het bijzijn van zijn moeder. Toen is de band met haar geknapt, zegt hij. ,,Toen verdween voor mij het veilige gevoel dat je thuis hoort te voelen.''

In de nalatenschap van zijn moeder bevond zich een kistje. Een metalen kistje dat haar zoon hermetisch afgesloten liet. ,,Ik had het wel eens open gezien'', zegt Van Thijn, ,,ik wist wat er in zat''. Dat was die andere oorlog, de oorlog van zijn moeder. De oorlog van de slachtoffers. De oorlog waar hij niks van wilde weten. Hij had het zijn moeder wel eens expliciet geschreven, nadat ze hem kennelijk had verweten weinig belangstelling te tonen voor de inhoud van haar kistje. `Ik weet wat erin zit', schreef hij, `daar zit uw leed in.'

Vorig jaar zat hij te worstelen met zijn boek. Hij was met pensioen gegaan, zoals hij dat noemt, en had een paar weken in zijn agenda leeggehouden onder het kopje `SCHRIJVEN'. Hij wist dat het dit boek zou moeten worden. Het boek dat de historicus Jacques Presser, auteur van Ondergang – De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, hem een halve eeuw geleden verzocht te schrijven, toen Van Thijn hem zijn verhaal had verteld. Hij had nu geen uitvluchten meer van te druk of eerst iets anders.

Er gebeurde niks. Elke ochtend om negen uur zette hij zich achter het beeldscherm en maakte wat schema's. Maar waar moest het verhaal beginnen?

Hij herinnerde zich een kerstkaart uit 1945, die hij had gestuurd aan zijn voormalige celgenoten in het Huis van Bewaring in Zwolle – waar hij eind 1944, tien jaar oud, werd opgesloten na te zijn opgepakt op zijn achttiende en laatste onderduikadres. Het was zo'n kaart als je wel stuurt naar vreemden die je in de vakantie hebt leren kennen, zegt Van Thijn nu. Eddy schreef hen over zijn rapportcijfers. Misschien kon hij het boek hiermee beginnen. Maar waar wàs die kaart?

Hij maakt er een kleine thriller van. ,,Het was begin december 1999, NOVA was net afgelopen en Den Haag Vandaag ook – een laat uur om het verleden onder ogen te komen.'' De kaart moest in het kistje liggen, bedacht hij. Nu zou hij het openen. Maar waar was de sleutel? Odette, zijn huidige vrouw wist het. Zij had alle onduidelijke sleutels bij de laatste verhuizing in een plastic zak gestopt. ,,De derde sleutel was het'', zegt de schrijver.

Hij vond brieven uit Westerbork. Een identiteitskaart uit het kamp. De Sperre die hem en zijn moeder uit Westerbork hielp komen. ,,Buitengewoon schokkend. Dit had ik al die tijd weggestopt.''

Natuurlijk had hij graag van zijn ouders nog antwoord gekregen op een heleboel vragen. ,,Maar Freud schrijft: belangrijker dan de dromen zelf zijn de herinneringen eraan de volgende ochtend.'' Zo is het boek niet het oorlogsverhaal, onderstreept Van Thijn meer dan eens. Het is het verhaal van hoe hij met de oorlog omging na de bevrijding.

Het is niet het verhaal van de barak in Westerbork waar hij lag, ,,met uitzicht op het eindstation, de stervenden''. Waarom eigenlijk niet? ,,Ik kan gruwelijke verhalen vertellen, maar waarom zou ik? Ik was acht jaar, het zijn flarden. Existentiële flarden, weliswaar, maar toch.''

Het is ook niet het verhaal van de bevrijding, toen de NSB'ers in Westerbork werden opgesloten en de gevangen joden er ineens bewakers werden. Eddy van tien moest grote mannen bewaken, met een lange tak als wapen. ,,Ze lagen op hun knieën aan mijn voeten, uitgehongerd, smeekten om brood. Het zijn schimmen voor me.''

Had hij dan moeten opschrijven wat hij toen precies dacht? ,,Het is moeilijk de gevoelens van een kind precies op te roepen. Ik vind dat ik al ontzettend ver ga. Mijn hele ziel en zaligheid ligt op straat.

,,Hét verhaal is het verhaal dat ik steeds voor me uitgeschoven heb en nog steeds doe. Hét verhaal kan er nooit komen. Mijn verhaal is een heleboel van die kistjes op elkaar gestapeld.''

Valt het je ook op'', vraagt Van Thijn, ,,dat er de laatste jaren geen oorlogsherdenking kan plaatsvinden, of het NOS-journaal besteedt er aandacht aan. Niet iedere aanslag op een asielzoekerscentrum haalt het nieuws, maar zo'n herdenking zonder nieuwswaarde wel.

,,Het heeft misschien te maken met een collectief schuldgevoel, dat met de jaren sterker wordt. Ik heb me altijd tegen die notie verzet. Er bestaat geen collectieve schuld. Elke maatschappij heeft ook zijn rechtvaardigen gekend. Daarom snap ik ook de behoefte van het collectieve excuus niet. Wat koop ik ervoor dat Wim Kok zijn excuus aanbiedt voor wat de Nederlandse regering na de oorlog verkeerd heeft gedaan? Het idee dat het bestuur van vandaag boete moet doen voor de daden van zijn verre voorgangers! Dan geloof je dus in de erfzonde. Moet ik boeten voor de slavernij?''

Het is een retorische vraag. Maar hij vindt het wel goed dat de kwestie van restitutie van geroofd joods geld en goederen is aangesneden en dat daar hard over is onderhandeld. Dat over de verdeling ervan discussies ontstaan langs de lijnen die Adolf Hitler voor de joden heeft uitgezet (`hebben gemengd-gehuwden recht op een uitkering?') is wrang, maar het is niet anders. ,,Ze hebben onder die criteria geleden, mogen ze er nu ook van profiteren?''

Zelf heeft hij nooit een uitkering als vervolgingsslachtoffer aangevraagd. ,,Het was mijn eer te na om mijn hand op te houden.'' En ook voor zijn moeder wilde hij die uitkering – voor haar een erkenning van het geleden leed – niet regelen. ,,Ik heb het op een psychologische manier opgelost'', zegt hij. ,,Ik gaf haar maandelijks uit eigen zak 800 gulden en zij dacht dat het de uitkering was.''

De slachtofferrol is de laatste die hij wil. Zieligheid het allerlaatste dat hij wil oproepen. ,,Daarom liep ik ook niet te koop met mijn eigen oorlogsverhaal. Je plakt jezelf een etiket op. Als je zegt, ik was een oorlogskind, een survivor, beginnen in al die hoofden de computers te lopen. Je wilt erkenning krijgen voor je merites. Niet omdat je slachtoffer bent geweest.''

Bovendien, zegt hij, ,,heb ik last van gêne om het relatieve....'' Hij zoekt seconden naar het juiste woord. Durft hij `leed' niet te gebruiken? ,,Ik zat te tobben met het begrip `hiërarchie van leed'. Daar wil ik niet aan. `Helemaal bovenaan staat Auschwitz, dat is het ergste, en ergens daaronder zijn de Jappenkampen.' Onzin natuurlijk. Iedereen heeft recht op zijn eigen leed. Maar het is dubbel. Want het bestaat wel, het wèrkt. Als een vriendje uit de boom viel en ik er thuis over vertelde, zei mijn moeder meteen: `Dat is niks.' Alles was niks vergeleken met wat wij hadden meegemaakt.''

Wat hij heeft meegemaakt – en dan heeft hij nog geluk gehad, zegt hij erbij – is de vernedering van de dehumanisatie. Het niet als mens worden beschouwd, waar elke vorm van racisme mee begint en die hij in al zijn verschijningsvormen heeft geprobeerd te bestrijden. ,,Vernedering is een trefwoord, een open zenuw. Vernederd worden is de eenzaamste emotie. Verdriet kun je delen, vernedering niet.''

Dan gaat hij verzitten.

,,Heb je gezien wáár ik in elkaar geslagen werd?''

Op de Vijzelstraat, toch, bij de Herengracht? Hij beschrijft het in zijn boek: hij week, fietsend, uit voor een plas, hinderde een auto, vier jongens stapten uit en sloegen hem inelkaar. `Ze hadden jullie moeten vergassen', siste eentje hem nog toe.

,,De symboliek'', zegt hij. ,,De symboliek.''

Hoezo? Omdat hij jaren later als burgemeester intrekt in de ambtswoning die bij dezelfde straathoek ligt?

,,Ik ben de straat overgestoken. Ik ben vanuit die vuile plas naar Herengracht 502 gegaan, de ambtswoning. Dat is de essentie: je hoeft er niet aan onderdoor te gaan.''

Mijn oudste dochter is de joodse kant opgegaan'', zegt Van Thijn. Zijn formulering haalt een associatie met de film Deconstructing Harry naar boven. De scène waarin de vrouw van een van de hoofdrolspelers van de ene dag op de andere jewish with a vengeance wordt, en begint te bidden voor elke hap en slok die ze neemt. Van Thijn lacht gul. ,,Er is veel Woody Allen in onze familie.''

Hij wijkt even uit naar zijn tante Nanny die in Amerika woont en die hem als jongetje voorspelde dat er `statistisch gezien een grote kans was dat hij zou eindigen als crimineel' omdat zijn ouders waren gescheiden. En die hij later in Amerika ontmoette. Ze werd rondgeduwd in een rolstoel en gilde: `Is dat Eddy? Ik heb altijd al gezegd dat hij nog eens burgemeester van Amsterdam zou worden.'

Maar ook hij is inmiddels méér dan joods-uit-lotsverbondenheid. En dat heeft met zijn dochter te maken. Die heeft hem, zegt hij ,,mijn moeder teruggegeven''. En niet alleen in de zin dat zijn dochter bij hem aandrong op een herbegrafenis van zijn moeder. Ook in de zin dat ze hem heeft teruggeleid naar zijn wortels. Op haar aandrang is het hele gezin vier jaar geleden naar Auschwitz gegaan. ,,Dat was een bevrijding. Sindsdien begrijpen we elkaar veel beter.''

,,Op 5 mei 1995 hield ik de keynote speech in de Portugese synagoge in Amsterdam. Daar stond ik dan, de assimilant, omringd door gelovigen van alle gezindten. Er ging veel in mij om. Dat ik als burgemeester van Amsterdam de eerste Nederlandse gezagdrager was die officieel een PLO-delegatie ontving. Niemand in de synagoge nam het me kwalijk'', zegt hij. ,,Het was een magisch moment.'' En de schrijver weeft zijn woorden verder. ,,De warmte, ik voelde de warmte. Er is toch een band die ik onderschat had. Die is haast mystiek.''

De volgende mijlpaal was de geboorte van zijn kleinzoon, Noah, tweeëneenhalf jaar geleden. ,,Daar zit je dan, je hebt je eigen kinderen niet joods opgevoed, en ineens heb je een bloot jongetje op schoot, midden in een besnijdenisritueel. Ik heb kennelijk toch onbewust iets doorgegeven.''

Een paar weken geleden heeft hij de laatste stap gezet. De ongeorganiseerde jood heeft zich aangemeld als lid van de liberaal joodse gemeente in Amsterdam. Hij zal nooit gelovig worden, zegt Van Thijn. ,,Ik ben volstrekt humanist. Ik vind de liederen prachtig, maar aan de teksten heb ik geen boodschap. Ik wist ook nooit wanneer de joodse feestdagen waren.''

,,En'', zegt hij, ,,wat zei rabbijn Lilienthal tegen me?''

Betekenisvolle pauze.

,,Welkom terug.''

Welkom terug – is dat niet de ultieme arrogantie van de geestelijke die het welzijn van mensen monopoliseert? Die zeker weet dat het afgedwaalde schaap in de kudde zal terugkeren?

Hij zoekt weer naar een antwoord dat hij niet vindt. De vraag is hem misschien te koel. Dan zegt hij: ,,Geen mens kan het in zijn eentje.''

Ed van Thijn: Het verhaal

Meulenhoff, 192 blz., ƒ29,50