DRIEJARIGE ZIET WÈL VERSCHIL TUSSEN SCHIJN EN REALITEIT

Kinderen van drie jaar maken wel degelijk onderscheid tussen het (schijnbare) uiterlijk van een voorwerp en de werkelijke eigenschappen, zoals bijvoorbeeld in het geval van een spons die sprekend op een rots lijkt. Tot nu toe werd er van uitgegaan dat dit onderscheid (gemiddeld) pas werd gemaakt in het vierde jaar.

Drie psychologen van de Canadese Queens Universiteit tonen overtuigend aan dat kinderen van drie (gemiddeld 3,5 jaar) uitstekend kunnen omgaan met het verschil tussen schijnbare werkelijkheid en `echte' werkelijkheid (Developmental Psychology, september). Het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid is een cruciaal bestanddeel van het menselijk bestaan en speelt een belangrijke rol in het sociale verkeer. Al langer werd vermoed dat driejarige kinderen dit onderscheid wel degelijk kunnen maken, omdat kinderen van die leeftijd ook al `doen-alsof-spelletjes' kunnen spelen. Kinderen van die leeftijd kunnen ook al wel frases als `iets dat lijkt op ...' en `iets dat in werkelijk [iets anders] is' begrijpen. De opvattingen dat driejarigen niettemin moeilijk schijn van werkelijkheid kunnen onderscheiden zijn voornamelijk gebaseerd op een (vaak herhaald) experiment van de Amerikaanse psycholoog John Favell uit 1983. Hierin kregen driejarige kinderen over de `rots-spons' simpelweg de vragen `Waar lijkt het op?' en `Wat is het werkelijk?' voorgelegd. De kinderen maken dan veel fouten. Vierjarigen hebben er echter geen enkel probleem mee.

Uit het Canadese experiment blijkt nu dat dit experiment te eenzijdig van opzet is geweest en de kinderen te sterk in een abstracte situatie bracht waarmee ze totaal geen raad weten. Felicity Sapp, Kang Lee en Darwin Muir van de Queens universiteit creëerden daarentegen een sociale context waarin het kind werd gevraagd: `Wil je me iets geven om dit gemorste water op te ruimen?' en: `Kun je me (voor het maken van een foto) iets geven dat op een rots lijkt?'. Uit een reeks van beschikbare voorwerpen kozen de driejarigen in deze situatie wél vrijwel feilloos het juiste voorwerp, daarmee bewijzend dat ze in de praktijk wel degelijk een onderscheid tussen schijnbare en werkelijke werkelijkheid kunnen maken.

Dezelfde kinderen werd na deze `sociale-contextvraag' ook de meer abstracte `Flavell-vraag' gesteld, en daarin scoorden ze even slecht als bij de vele malen dat dit experiment eerder is gedaan (ca. 60 procent fout). In een van de experimenten van Sapp c.s. werd de volgorde van deze vragen gevarieerd. Opmerkelijk resultaat was dat als de abstracte vraag het eerst werd gesteld de sociale-context-vraag opeens ook heel slecht werd beantwoord. Sommige kinderen weigerden zelfs überhaupt antwoord te geven. De conclusie die Sapp en haar collega's hieruit trekken is dat het bewustzijn van het verschil tussen schijn en werkelijkheid bij de driejarigen nog `fragiel' is en gemakkelijk verward kan raken door verbale antwoorden op directe vragen naar het verschil. Belangrijk in dit verband is dat de driejarigen ook geen voorkeur voor een bepaalde fout lijken te hebben. Hetzelfde kind kan zeggen dat de rots-spons `echt' een rots is en kort daarop volhouden dat de potlood-kaars (het andere dubbelzinnige object uit de Canadese experimenten) `echt' een kaars is (hetgeen wel klopt).