Auteursrecht is funest voor vitaliteit van cultuur

Het auteursrecht in kunst en cultuur is problematisch. Eigenaren van intellectueel eigendom promoten slechts een beperkt aantal `sterren'. Andere kunstenaars, en ook Derde-Wereldlanden, zijn de dupe, meent Joost Smiers.

De betekenis van auteursrechten is dramatisch aan het veranderen. Er is een situatie aan het ontstaan, waarbij de meeste afbeeldingen, ontwerpen, teksten, melodieën en zelfs kleuren en geuren als intellectueel eigendom in het bezit komen van een beperkt aantal culturele conglomeraten en dus door hen gecontroleerd worden. De consequenties hiervan zijn huiveringwekkend. Een beperkt aantal culturele industrieën, die worden gedomineerd door megafusies, pompen door hun communicatie-kanalen alleen artistieke waar en entertainment waar zij de rechten van bezitten. Het eigendom van copyrights geeft hun de mogelijkheid een klein aantal `sterren' te promoten en alleen in hen heftig te investeren.

Gevolg hiervan is dat er steeds minder aandacht is voor een verscheidenheid van artistieke uitdrukkingsvormen. Dat is in democratisch opzicht een verlies. Het economische belang van auteursrechten heeft tot gevolg dat het culturele domein volledig door juristen wordt gedomineerd. Het is natuurlijk niet verwonderlijk dat – waar zoveel geld omgaat – piraten een graantje mee willen pikken. Net als tegen drugs, wordt ook tegen piraterij een `heilige oorlog' verklaard. Het is een illusie te denken, dat die oorlog kan worden gewonnen.

Met de uitvinding van MP3, Napster en Wrapster – die als het ware grote publieke jukeboxen van muziek-, beeld- en tekstmateriaal creëren – zal ook de strijd tegen het thuiskopiëren op niets uitlopen.

Het begrip auteursrecht impliceert, dat iets volstrekt origineels ontdekt of gecreëerd is. Maar is dat wel zo? Is het niet eerder zo, dat er geen gedicht bestaat zonder vele eerdere gedichten? Elk artistiek werk, hoezeer men dat ook mag bewonderen, is geladen met impulsen uit het publieke domein van kennis en creativiteit en komt tot stand door de inbreng van velen, waaronder het publiek. Het gaat te ver om – gebaseerd op het romantische idee van originaliteit – aan kunstenaars en hun `rechthebbenden' een monopolistische eigendomsclaim toe te kennen van meer dan een halve eeuw. We bevriezen zo de hele voorraad artistiek materiaal, waar we uit moeten putten voor toekomstige culturele creaties.

Ook voor Derde-Wereldlanden pakt het systeem van intellectuele eigendomsrechten ongunstig uit. Artistieke inspiratiebronnen uit die contreien pakken wij gretig en gratis. Maar eenmaal gepatenteerd, van copyright voorzien en industrieel gemassificeerd, hangt er een prijskaartje aan dat voor die landen een onbetaalbare last is.

Het begrip intellectueel eigendomsrecht is een Westerse uitvinding die nauwelijks een paar eeuwen oud is en nu in zijn nadagen loopt. Waarom zouden we dan niet serieus overwegen hoe de wereld er uit zou zien zonder die eigendomsclaims? Als er geen eigendom in de absolute zin is, dan is er niets dat geschonden kan worden en voor de rechtbank kan worden gesleept.

Op cultureel terrein biedt dat een verrassend perspectief. Als er geen monopolistisch eigendomsrecht meer geclaimd kan worden, dan heeft het voor culturele industrieën geen zin meer zo overdadig te investeren in enkele oog- en oorverblindende `sterren'. Zelfs piraterij verliest z'n economische betekenis.

Dit heeft verstrekkende gevolgen. We raken verlost van de éénduidige smaakbepaling die het onvermijdelijke gevolg is van de huidige monopolistische controle van de culturele productie en distributie. Voor de gemiddelde kunstenaar ontstaat weer de gewone situatie dat er een markt is voor zijn werk, die niet permanent verstoord wordt door enkele `toppers' die iedereen gezien, gehoord of gelezen moet hebben. Vele kunstenaars kunnen dus weer een inkomen verdienen met hun werk.

Hoeft er dan niet meer betaald te worden voor het gebruik van artistiek werk? Natuurlijk wel, maar niet meer via de individuele toerekening die gebaseerd is op het romantische originaliteitsidee. Het is beter als bedrijven die op enigerlei wijze artistiek materiaal gebruiken – en dat zijn vrijwel alle bedrijven – belast worden op hun winst voor het gebruik dat zij maken van artistiek werk. Met de gelden die hiermee verzameld worden, worden fondsen gevormd die salarissen en investeringsfinanciering geven aan individuele kunstenaars, groepen en culturele initiatieven, hier in de westerse wereld en ook in Derde Wereldlanden.

Uiteraard moet er veel denkwerk worden verricht om die fondsen mooi, eerlijk en voor iedereen bevredigend in het vat te gieten. Maar laten we vooral niet nostalgisch terugblikken naar de huidige situatie waar 99 procent van de musici nul op rekest krijgt bij de grote platenmaatschappijen, die vooral kapitaal putten uit de beheersing van de distributiekanalen, die voor de meeste kunstenaars op slot zitten.

Als we beseffen dat het maatschappelijk fenomeen van auteursrecht problematischer is dan vaak wordt aangenomen, dan moeten we bepalen wat we rond het artistieke werk echt willen bevorderen. Om onze culturen levend te houden, moet de dialoog met het artistieke werk terugkomen. Bezitters van intellectuele eigendomsrechten bezitten de controle over de productie van betekenissen. Dat heeft tot gevolg dat we het werk dat zij `bezitten', geen andere draai mogen geven, om zo in de contramine te raken met de betekenissen, die de eigenaars nu monopolistisch beheersen.

Joost Smiers is directeur van het Centrum voor Onderzoek van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht.