Aio's zijn niet `cool'

Geen proefschrift vandaag. Het academisch jaar is nog maar net begonnen en de voorraad proefschriften is nog erg klein. In zowat alle toespraken die er op 4 september bij gelegenheid van de opening van het nieuwe studiejaar aan de universiteiten gehouden zijn, draaide het om de invoering van een bachelor- en masterstructuur in het Nederlandse hoger onderwijs. In 1999 hebben de Europese ministers van Onderwijs plechtig de Verklaring van Bologna ondertekend en daarmee het startschot gegeven voor een betere internationale afstemming van hoger onderwijs. Na een bachelorcyclus, die zowel in het hbo (hoger beroepsonderwijs) als in het wo (wetenschappelijk onderwijs) minstens drie jaar moet duren en tot een graad moet leiden die ook op de Europese arbeidsmarkt betekenis heeft, is er een tweede cyclus die afgesloten wordt met de graad van master `en/of een doctoraat'.

Op 4 september is aan dit laatste aspect in het algemeen niet veel aandacht besteed, maar juist de ruimhartigheid van de formulering heeft al aanleiding gegeven tot de nodige meningsverschillen. Het hbo vindt dat de hbo-master toegang tot de promotie dient te hebben, zoals ook nu al voor hbo-ers het geval is. De Onderwijsraad heeft zich echter net met het bachelor-master- advies van de Commissie-Rinnooy Kan vereenzelvigd en wil hbo-ers zelfs hun huidige promotierecht ontnemen. De titels voor de eerste en tweede cyclus zal de universiteit in de toekomst waarschijnlijk met het hbo moeten delen, maar de doctorstitel wil men op voorhand toch al graag reserveren voor de academische master.

Om elk misverstand te voorkomen: promoveren kun je in Nederland alleen aan de universiteit, maar je hoeft geen `doctorandus' te zijn om tot de promotie te worden toegelaten. In de praktijk komt het maar weinig voor dat iemand zonder universitaire vooropleiding promoveert, maar het is een aardige erkenning van het niet-schoolse karakter van wetenschappelijke creativiteit dat het wel kan. De ervaring leert dat die enkele analisten, verpleegkundigen en fysiotherapeuten die al die moeite ervoor over hebben, ook zeker niet de slechtste proefschriften schrijven. De hele promotieprocedure is ook met zoveel waarborgen omgeven, dat echt slechte proefschriften bijna net zo zeldzaam zijn geworden als echt slechte auto's. Ongeveer een op de vier aio's brengt het niet tot een proefschrift. Daar zijn heel verschillende redenen voor, maar afwijzing van het concept door de promotor of de promotiecommissie hoort er beslist bij.

Vanaf het midden van de jaren tachtig is er na de invoering van de tweefasenstructuur in het Nederlandse hoger onderwijs een actief promotiebeleid gevoerd. De assistent in opleiding (aio), die geacht werd in vier jaar te promoveren (dat lukt ongeveer 15%) deed zijn intrede, en de vaste wetenschappelijke staf kwam onder druk te staan alsnog te promoveren, als dat nog niet gebeurd was. De lezers van `Het Bureau' van Voskuil hebben van het eerste tot het laatste deel de dreiging van de verplichting om te promoveren zien groeien, ook in een alfa-instituut buiten de sfeer van de universiteit. Afkeer en angst strijden om de voorrang. Het promotiebeleid is alleen al in kwantitatieve zin een doorslaand succes geworden. De vaste wetenschappelijke staf van de universiteiten bestaat bijna alleen nog uit gepromoveerden en per jaar worden er ongeveer net zoveel proefschriften verdedigd als er een eeuw eerder studenten waren.

In de afgelopen tien jaar verwierven ongeveer 24.000 mensen het doctoraat, in 1998 alleen al bijna twee keer zoveel als in 1988. Een gewoon hoogleraar is nu gemiddeld een keer per jaar promotor, maar de verschillen zijn aanzienlijk. In de echte bèta-vakken zijn er collega's die 10 tot 15 promoties per jaar hebben, in sommige alfa-vakken ligt het gemiddelde echter nog altijd dichter bij een promotie in tien jaar. Ook rechten en economie spelen een bescheiden rol met elk ongeveer 100 proefschriften per jaar. Bij de gamma's (250 proefschriften per jaar) is het wat beter, maar de meeste collega's zullen al gelukkig zijn met een gemiddelde van een per jaar. Een belangrijk socioloog als de Leidse hoogleraar F. van Heek had tussen 1950 en 1970 in totaal 12 promovendi en dat gold als veel. Typisch voor de rol van de promotie in de Nederlandse academische wereld van toen is dat vrijwel al zijn leerlingen ook hoogleraar zijn geworden. De promotie gold – en geldt eigenlijk nog – een beetje als 'Habilitationsschrift', in Duitsland de tweede promotie die als sollicitatie naar een hoogleraarschap geldt.

Zou het ook een puur toeval zijn dat juist Van Heek's twee vrouwelijke promovendi het niet tot hoogleraar gebracht hebben? Vrouwelijke hoogleraren zijn nog altijd een zeldzaam verschijnsel (7%), in Nederland nog meer dan in andere Europese landen. Met 15 is het percentage in Frankrijk het hoogst. Inmiddels studeren er meer meisjes dan jongens af en is van de 4.000 aio's een kleine 40% vrouw.

In de hogere wetenschappelijke rangen is van die verandering nog weinig te merken. Hoewel in de komende jaren een groot deel van de top van de universiteiten met pensioen zal gaan (40% van de gewone hoogleraren is de 55 jaar al gepasseerd), zullen vrouwen daar maar in beperkte mate van profiteren, omdat zij ook in de rangen daaronder nog steeds een kleine minderheid zijn. Voor een deel is dat overigens ook het gevolg van de studiekeuze van vrouwen: bij medicijnen, letteren, rechten en sociale wetenschappen zijn de vrouwelijke studenten in de meerderheid, maar in de vakken waar de meeste onderzoeksplaatsen te vergeven zijn en de getalsverhoudingen tussen studenten en staf veel gunstiger zijn (de bèta-vakken, de techniek) zijn de studenten bijna altijd alleen jongens.

Hoewel het in de cijfers nog niet te zien is, bestaat er op de universiteiten en in de onderzoekscholen (de belangrijkste verzamelplaatsen van de aio's) grote ongerustheid over de dalende interesse voor een promotieplaats.

Het aio-schap is duidelijk niet `cool' , wat nog versterkt wordt door de slechte betaling van aio's. Op dit moment beginnen ze met ongeveer 2000 gulden per maand, hun leeftijdgenoten elders beginnen met ongeveer de helft tot het dubbele meer en dat verschil kan snel oplopen. In de nieuwe CAO voor de universiteiten is een forse salarisverhoging voor aio's voorzien – minister Hermans maakt dat mogelijk – en men hoopt daarmee het tij te kunnen keren. Ik ben daar niet zo zeker van. Aio's konden lange tijd onderbetaald worden, mede omdat de arbeidsmarkt voor academici slecht was. Nu staan de werkgevers weer in de rij voor jong talent en het is maar de vraag of een betere betaling van het aio-schap op zichzelf concurrerend genoeg is. Iedereen heeft het over `het bedrijfsleven', overigens ook als de overheid en het maatschappelijk middenveld als werkgevers veel waarschijnlijker zijn. Er bestaan her en der ook volstrekt overspannen verwachtingen over wat een academicus kan verdienen. Zo hebben recent afgestudeerden economie een gemiddeld netto-inkomen van ongeveer 40.000 gulden per jaar , maar verwacht meer dan een derde van hen al ruim voor hun veertigste op een netto-inkomen van 250.000 - 500.000 gulden per jaar te kunnen uitkomen. Zelfs van de studenten Taal en Cultuur denkt nog bijna een kwart in deze Harry Mulisch-orde van grootte.

In de nieuwe bachelor-master-structuur, waarop de universiteiten zich druk aan het voorbereiden zijn, is de positie van aio's en onderzoeksscholen nog niet erg duidelijk. Iedereen wil van een vierjarige weer terug naar een vijfjarige opleiding, maar daarna nog weer een derde cyclus (de huidige tweede fase) van vier jaar lijkt toch wel wat veel van het goede. Er wordt nu op verschillende plaatsen – de Sociaal Wetenschappelijke Raad van de KNAW vergadert er bijvoorbeeld dit weekend over – gedacht aan de invoeging van het aio-cursusprogramma in een op onderzoek gerichte specialisatiemogelijkheid in de mastercyclus.

Het werken aan het proefschrift zelf zou dan in drie jaar moeten gebeuren, al lijkt het niet erg waarschijnlijk dat die periode ook al met een promotie zal kunnen worden afgesloten. Dat zal toch pas in het vierde jaar kunnen.

Zeker wie op artikelen in internationale tijdschriften wil promoveren, zal genoegen moeten nemen met een verlengd traject: artikelen moeten worden gereviewd en verbeterd. Dat kost allemaal tijd en kent meestal verschillende rondes. Een periode van een à twee jaar tussen het moment van indienen en het moment van publicatie, als het daar al van komt, is heel gewoon. De drie cyclusstructuur die uit de Verklaring van Bologna zou kunnen voortvloeien lijkt me in ieder geval beter dan de huidige tweefasenstructuur , die maar voor weinigen een echte tweede fase mogelijk maakte. Een op de 12 afstudeerders vond tot nu toe een plek in de promotie-opleiding, variërend van een op de drie studenten in het gebied van de natuurwetenschappen tot een op de 200 bij Rechten. Na de bachelorfase zal de masterfase zeker voor veel meer studenten als tweede fase of cyclus beschikbaar komen. De promotie blijft dan een uitdaging voor de kleine groep die zichzelf tot `doctorandus' verklaard heeft. Vanaf volgende maand weer over de resultaten van hun werk.