Spreken met de demon

`Als een moslim pijn in zijn knie heeft gaat hij naar de dokter. En als het nodig is worden er röntgenfoto's gemaakt. Maar als er niets gevonden wordt dan is er sprake van een boze geest die de patiënt lastig valt. Hij moet dan naar een bekwaam persoon gaan. Die leest een bepaalde soera uit de Koran en blaast dit over zijn knie uit. Ook maakt hij een amulet. Die moet de patiënt een tijdje dragen. Dat alles helpt om de boze geest weg te jagen.'

Uit onderzoek was al bekend dat in vrijwel de gehele islamitische wereld (niet alleen het Midden-Oosten, maar ook in Afrikaanse en Aziatische landen waar de islam de belangrijkste religie is) het geloof in geesten een belangrijke rol speelt. Deze uit vuur en onreine stoffen bestaande wezens veroorzaken, wanneer ze met de mens in contact treden, geestelijke en lichamelijke klachten. Die zijn slechts te genezen door de geesten of demonen – die Djinns heten – te verdrijven. Met de komst van grote groepen moslims is er de loop van de laatste twintig jaar ook in Nederland een circuit ontstaan van uit de islamitische wereld afkomstige genezers die zich hierin specialiseren.

De antropoloog Cor Hoffer heeft, als een van de eersten, systematisch onderzoek gedaan naar deze groep. Het resultaat publiceerde hij in Volksgeloof en religieuze geneeswijze onder moslims in Nederland. Volgens Hoffer baseren zowel de patiënt(en) als de genezer(s) zich op wat zij `kennen' uit het `moederland', maar zijn de therapieën en rituelen sterk aangepast aan de Nederlandse situatie. Zo worden de kruiden die men gebruikt bij de vervaardiging van amuletten getoetst op hun verkrijgbaarheid in Nederland. Heiligenverering en het brengen van offers, twee elementen die in de islamitische wereld vaak verbonden zijn met het uitdrijven van Djinns, komen hier volgens hem niet voor. `Wat ik doe is slechts een voortzetting van hetgeen in het verleden is gedaan vanaf de profeet Mohammed. Als genezer baseer ik mijn werk op de Koran – bepaalde verzen hebben namelijk een genezende werking – de hadith (traditie), en op de aanwijzingen die daarin staan met betrekking tot natuurlijke geneesmiddelen zoals honing, olijven en gember. Het gaat om spirituele genezing met behulp van God. Als islamitische genezer moet je leven volgens de Koran en mag je geen handelingen verrichten die daarmee in strijd zijn.'

Net als deze uit Tunesië afkomstige genezer, met een bloeiende praktijk in de Randstad, benadrukten vrijwel alle genezers die Hoffer onderzocht vooral het feit dat niet zíj het zijn die de genezing tot stand brengen, maar Allah. Een dergelijke attitude biedt belangrijke voordelen. Het beschermt de genezer bij voorbaat tegen de verwijten van de islamitische orthodoxie dat men zich bezig zou houden met magie of tovenarij. Want hoewel de islam het bestaan van Djinns erkent, behoren magie en tovenarij tot de categorie der zonde. Door de uitkomst in handen van Allah te leggen heeft de genezer ook direct een verklaring wanneer de therapie faalt.

Demonen

Vrijwel tegelijkertijd met het boek van Hoffer verscheen van Gerda Sengers Vrouwen en Demonen in het huidige Egypte. De vrouwen waarover zij schrijft hebben allemaal lichamelijke of geestelijke klachten die veroorzaakt worden door demonen. Deze demonen zijn via openingen (letterlijk) hun lichamen binnengedrongen. Om de gezondheid te hervinden moeten de demonen op spirituele wijze gunstig worden gestemd óf worden verdreven. Dat gunstig stemmen gebeurt door het opvoeren van een ritueel waarbij door middel van zang en dans een gesprek aan wordt gegaan met de demon (dit ritueel heet een zar). Het verdrijven van een Djinn gebeurt vaak door een korangenezer die doet dat door het reciteren van passages uit de Koran.

De praktijk van de korangenezers (sjeiks) die Sengers beschrijft, vertoont grote gelijkenis met die van de genezers die Hoffer in Nederland onderzocht. De nadruk ligt, daar zowel als hier, op de reinigende en genezende kracht van bepaalde koranspreuken en zij benadrukken beiden dat de patiënt om te genezen er een goede, lees islamitische, levenswijze op na moet houden. In de Egyptische situatie komt dat er vooral op neer dat de korangenezers de vrouwen aanraden zich kuis te kleden en aan hun man gehoorzaam te zijn. In de Nederlandse situatie ligt de nadruk meer op algemene zaken, zoals het afwijzen van roken en drinken en het beter omgaan met je kinderen.

Het gunstig stemmen van demonen, zoals dat in de door Gerda Sengers uitgebreid beschreven, zar-rituelen gebeurt, heeft Hoffer in Nederland niet aangetroffen.

Gerda Sengers behandelt haar onderwerp uitputtend. Aan de hand van de verhalen van vrouwelijke patiënten beschrijft zij een aantal zar-plechtigheden en gevallen van gebedsgenezing tot in het detail. Op theoretische gronden concludeert zij vervolgens dat er zowel bij een zar-ceremonie als in het geval van een demonuitdrijving door een sjeik sprake is van een initiatierite. Deze rites zouden uiteenvallen in de drie klassieke fases. Fase één is die van de afscheiding. De patiënt wordt `losgemaakt' uit zijn bestaande situatie, door de intake bij de sjeik of door de diagnose van de zar-leider, waarbij vastgesteld wordt om welke geest het gaat die tevreden gesteld moet worden. De tweede fase bestaat uit het ritueel zelf, het dansen en zingen bij de zar, het lezen van teksten door de korangenezer. Het ritueel wordt afgesloten met een offer en bij een bezoek aan een sjeik met een gebed.

Hadras

De laatste fase is de minst duidelijke. Sengers beschrijft die zo: `Deze fase begint bij de zar nadat de vrouw verenigd is in een huwelijk met haar demon. Zij gaat in een herstelde positie naar huis en als lid van een nieuwe cultusgroep zal zij voortaan deelnemen aan bijeenkomsten, de zogeheten hadras waar zij in zang en dans opnieuw tijdelijk in haar demon opgaat. Onderdeel van een korangenezing vormt het aandringen op een strengere islamitische levenswijze. Als de vrouw daaraan voldoet, is er eveneens sprake van een opname in een `nieuwe' cultusgroep.

Hoewel ook Hoffer ingaat op de theoretische vragen rondom volksgeloof en rituelen is zijn boek toch praktischer dan dat van Sengers. Voor hem gaat het met name om de situatie in de Nederlandse gezondheidszorg. Het bezoek aan een islamitische genezer is volgens hem voor een toenemende groep allochtonen het laatste redmiddel. De normale instanties waar zij met hun, meestal sociaal-psychische, problemen heen kunnen, zijn voor hen dikwijls ongeschikt. `Er is', zo formuleert hij het, `in de reguliere psychische hulpverlening een groot gat ontstaan tussen `disease' en `illness'; tussen de manier waarop de hulpverlener de klacht verklaart en de manier waarop de patiënt hem ervaart.' Bij een behandeling door islamitische genezers is dat onderscheid veel minder duidelijk aanwezig. De hele Nederlandse gezondheidszorg, patiënten zowel als artsen, kan er dus baat bij hebben als islamitische geneeswijzen opgenomen worden in het totale `zorgpakket'.

Kor Hoffer: Volksgeloof en religieuze geneeswijze onder moslims in Nederland. Thela Theseis, 396 blz. ƒ49,50

Gerda Sengers: Vrouwen en demonen. Zar en korangenezing in hedendaags Egypte.

Het Spinhuis, 262 blz. ƒ40,-