Schilders zonder hoogtevrees

Grote muurschilderingen voeren ze uit, de gebroeders Van den Berg, op basis van werk van andere kunstenaars. `Als de schilder linkshandig werkt, doe ik dat ook.'

Veel beeldend kunstenaars hebben zo hun kinderachtigheden, net als gewone mensen. Ze willen bijvoorbeeld niet bekend hebben dat ze in hun werk wel eens foto's als hulpmiddel gebruiken, zelf gemaakte foto's maar ook foto's van anderen, uit de krant bijvoorbeeld.

Zo hebben de erven van Edgar Degas heel lang de fotocollectie van hun beroemde voorvader verborgen gehouden.

Dat er schilders zijn, ook hele goede schilders, die een op hun doek geprojecteerde kleurendia als hulpmiddel gebruiken zullen ze zelden aan iemand bekennen. Of dat ze wel eens een passer of een lineaal hanteren. Beeldhouwers noemen zelden de namen van de steenhouwers die het ruwe voorwerk hakten.

Het zijn allemaal halve of hele geheimen van het vak, die het publiek niet mogen hinderen in zijn bewondering voor ook de ambachtelijke virtuositeit van de kunstenaar die zomaar uit de hand en met de losse pols zijn onnavolgbare scheppingen verricht.

Om deze redenen zijn Leo van den Berg (49) en zijn tien jaar jongere broer Henk terughoudend bij het noemen van de namen van kunstenaars voor wie zij monumentale opdrachten uitvoeren. Dat wil zeggen dat zij door kunstenaars gemaakte voorstellingen vele tientallen malen vergroot aanbrengen op de gevel van bijvoorbeeld een kantoorgebouw. Hun namen blijven in het vage omdat de kunstenaars dikwijls althans de suggestie willen handhaven dat zij de muurschildering eigenhandig hebben vervaardigd. In de meeste gevallen is zoiets al om puur fysieke redenen onmogelijk. Een wat oudere schilder beklimt geen hoge bouwsteigers meer en valt meestal al vanwege zijn hoogtevrees voor dit werk af, de broers kennen maar enkele voorbeelden van kunstenaars die het wel zelf deden. Co Westerik bijvoorbeeld die op een gevel van het Rotterdamse politiebureau zelf een metershoog touwtje springend meisje aanbracht.

Overigens hebben zij de neiging zichzelf niet al te hevig te presenteren in het belang van de goede verhoudingen waarin latere opdrachten het best gedijen.

Ze hebben genoeg aan de wetenschap dat zij naast hun eigen kunstenaarschap een ambacht beheersen dat behalve artistiek kunnen ook een veelzijdige materiaalkennis vereist.

In de loop van ons gesprek zal Henk op een zeker moment uitroepen: ,,Ik ben gek van verf!'' Leo beaamt deze passie en voegt er aan toe dat voor bijna elke opdracht speciale trucs moeten worden bedacht ter oplossing van volkomen onverwachte probleempjes. Vooral dat is voor hem de kick.

De broers werken parttime via het atelier Leo Mineur in Rotterdam, ook voor eigen rekening en hebben daarnaast ieder hun eigen atelier voor vrij werk.

Leo werkt ook een aantal uren per week voor het Maritiem Museum in Rotterdam waar hij meewerkt aan de inrichting van exposities en alle decoraties verzorgt. Hij noemt de inrichting van een nagebouwde directiekamer van de vroegere Holland Amerika Lijn. Daar moest veel van wat verloren ging al schilderend gereconstrueerd worden zoals de ingewikkelde houten lambrisering van de kamer.

Ambachtelijk

Heel moeilijk vakwerk: ,,Ik ben altijd vooral ambachtelijk aan het schilderen, ook als ik niets doe. Henk is meer de artistieke van ons tweeën. Hij ziet bij alles wat hij doet de mogelijkheden voor zijn eigen werk. We vullen elkaar mooi aan.''

Henk van den Berg legt er de nadruk op dat in dit verhaal vooral niet de indruk gewekt mag worden dat zij als vrije schilders hobbyisten zijn. Evenals broer Leo heeft hij een eigen atelier waar hij na een opleiding aan de Rotterdamse academie (schilderen, tekenen) zijn eigen enigszins experimentele weg gaat: ,,Ik ben bezig de schilderkunst opnieuw uit te vinden.'' Hij exposeerde tot in het Bulgaarse Varna toe en werd vorig jaar in Dordrecht onderscheiden met de Ary Scheffer-prijs.

Leo van den Berg, autodidact met een opleiding huisschilder aan een ambachtsschool als basis, doet wat laatdunkend over zijn vrije werk, maar blijkt in zijn atelier een virtuoos schilder te zijn met een bijzondere voorkeur voor het polderlandschap waar zij wonen, de streek bij het verlaten eiland Tiengemeten dat met rust gelaten wordt om er een soort `nieuw oerlandschap' te laten ontstaan.

Het zal hier verder vooral gaan over hun vak als uitvoerders van monumentale werken. Ik maak kennis met ze als ze in het Betuwedorp Beesd op het punt staan een kantoorpand annex showroom voor meubels rondom te gaan beschilderen naar een ontwerp van Klaas Gubbels. De opdracht aan Gubbels werd al enkele jaren geleden gegeven. In de tussentijd zijn er aan de hand van maquettes tientallen voorontwerpen getekend en geschilderd, gedeeltelijk zelfs op die maquettes.

Besloten werd uiteindelijk om – inderdaad – met verschillende gestalten van koffiekannen te werken, kannen die zo hoog zijn als het gebouw, een meter of zes, zeven. Een robuuste kan aan de ene kant van het gebouw, twee slanke aan de andere kant met daartussenin een groot, rood hart met (toch) de tuit van een koffiekan, daaronder een gedeeltelijk in de grond verzinkend, perspectiefloos Gubbelstafeltje.

Op een zijmuur komt een reusachtige witte koffiekop, op een andere zijmuur het vele malen vergrote etiket van een wijnfles waarop desondanks toch ook weer een koffiepot voorkomt. Het eerste probleem was de zekerstelling van de houdbaarheid van de schilderingen, die uiteraard niet mochten weg regenen. Er werden allerlei materialen beproefd. Het gebouw is bekleed met polisulfide platen, metaal met een plastic coating. Verf hecht slecht op plastic. Een ondergrond van primer was noodzakelijk, dat is een in het onderliggende materiaal etsende stof, die na 48 uur drogen de verf – acryl of synthetische lak – vasthoudt. Omdat Gubbels altijd werkt met acryl (een kunsthars met pigmenten) werd deze verf ook voor de muurschilderingen gebruikt.

Maar eerst moesten de contouren van de voorstellingen worden aangebracht.

Een muralist (zo zal ik het verder maar noemen) staat op een steiger of hangt in zo'n schilderbakje met zijn neus vlak voor de muur; hij heeft geen overzicht.

Ingeruit

Daarom moet de wand eerst ingeruit worden, voorzien van een in houtskool uitgevoerd roosterpatroon dat op grote schaal overeenkomt met het rooster op de oorspronkelijke schets van de kunstenaar. Er ontstaat dus een grote verzameling vakken waarin steeds een stukje van de contourlijn (twintig, vijftig of honderd maal vergroot) kan worden getrokken. Uiteraard zijn alle maten door de kunstenaar aangegeven en gemarkeerd.

Zo ontstaat in houtskool of vetkrijt (al naar gelang de weersomstandigheden) het stramien dat vervolgens door de uitvoerders van een afstandje wordt bekeken om noodzakelijke correcties vast te stellen. De rondingen moeten correct verlopen, er mogen geen knikjes overblijven. Klopt alles, dan worden omtrekken met tape afgeplakt.

Het eigenlijke inschilderen kan pas na analyse van de werkwijze van de kunstenaar worden begonnen. Hoeveel en welke kleurlagen staan er over elkaar, hoe en waar ligt de grootste transparantie? Wat is zijn toets, met welke maat penselen heeft hij gewerkt? Is hij links- of rechtshandig? Komt aan zijn handschrift ook de pols te pas? Waar heeft hij in het ontwerp geaarzeld over voortzetting van het werk?

Henk van den Berg: ,,Zo'n analyse is prachtig. Je herkent allerlei problemen die je ook in je eigen werk tegenkomt en je ziet hoe die kunnen worden opgelost.''

De resultaten van de analyse worden dan na oefening op losse stukken in de contouren ingeschilderd op de manier zoals de schilder het zelf zou hebben gedaan. Allerlei subtiliteiten moeten op de sterk vergrote schaal behouden blijven.

Leo van den Berg: ,,Als de schilder linkshandig werkte doe ik dat ook.'' De broers kunnen intussen wijzen op een lange reeks werken die zij in de openbare ruimte uitvoerden. Op muren, vuurtorens, olietanks, graanelevatoren, koeltorens, op het Nederlands Danstheater in Den Haag, ook op tegels die op Rotterdamse pleinen tot totaalvoorstellingen werden samengevoegd.

Met enige trots wijst Leo van den Berg op een project, dat zij op de Rotterdamse Euromast uitvoerden. Met op hun kant liggende letters moest over een hoogte van negentig meter de tekst `as long as it lasts' worden aangebracht, ter ondersteuning van een gelijknamige expositie elders in de stad.

Per stuk maten de letters negen meter. Vereist was dat zij na de tentoonstelling weer onzichtbaar verwijderd konden worden. Verf kon dus niet worden gebruikt. Na veel experimenten en (aldus Leo) trucs werd uitgevonden dat drie lagen anti-graffiti als ondergrond konden worden gebruikt, het is een aardappelmeelextract dat bij zeventig graden oplost en dan met hoge druk weggespoten kan worden. Op deze laag konden met dunne latex (lijmverf) de letters worden gezet. De broers garandeerden dat die letters het drie maanden konden uithouden.

De boers werkten in een traditie die in ons land nog betrekkelijk jong is, enkele decennia misschien. Pas na de oorlog werd er aan begonnen met oorspronkelijk vooral politieke bedoelingen en in de illegaliteit van de graffitispuiters. Dit in navolging van de Chileense schilderbrigades, de Brigadas Ramona Pars, die hun tegen de dictatuur gerichte voorstellingen in een hechte organisatie aanbrachten. Er werd gewerkt met goedkope, sneldrogende waterverf in een beperkt aantal kleuren. Iedere schilder had zijn eigen kleur, waarmee de door een voorman aangebrachte contouren razendsnel konden worden ingevuld.

Later zou in ons land Provo met spuitbussen aan de gang gaan. Een en ander vond vrij snel zijn artistieke vervolg, vooral in Rotterdam, waar een gebombardeerde stad op groter schaal dan voor de ramp werd herbouwd. Dat betekende grotere muurvlakken dan voorheen. Om een nieuwe monotonie te doorbreken werd er gericht over verfraaiing en verlevendiging nagedacht met bijvoorbeeld een prijsvraag. Ook stuurde de gemeente de kunstenaar Cor Kraat naar Amerika, die uitvoerig rapporteerde en met aanbevelingen kwam. Mede daardoor kwamen de monumentale buitenschilderingen met vooral decoratieve en artistieke bedoelingen in Nederland op gang. Met daarmee een hele cultuur van mogelijkheden en toepassingen om overal te kunnen werken: op baksteen, metaal, kunststof, verweerd hout.

Voor Leo en Henk van den Berg is de daarvoor noodzakelijke kennis en ambachtelijke handvaardigheid vergroeid met hun eigen vrije kunstenaarschap. Zij vrezen overigens dat op den duur de karakterloze megamogelijkheden van fotografische procédés het oude handwerk zullen verdringen zoals dat ook met die prachtig geschilderde bioscoopreclames van vroeger is gebeurd.

Het gebouw in Beesd dat eind oktober in zijn uiteindelijke gestalte zal worden onthuld, het meest recente werk van de broers Van den Berg, kan daardoor mede dienen als pleidooi voor de handhaving van een nieuwe kunstvorm met strikt eigen karakter.

Het kantoorpand met de door de gebroeders Van de Berg aangebrachte Gubbels-afbeelding staat aan de A2, tussen de afslagen Beesd en Geldermalsen.

Rotterdam is de bakermat van de grote buitenschildering in ons land