Roerganger voerde China naar de afgrond

Wanneer verloor de Grote Roerganger zijn revolutionaire onschuld? Gebeurde dat al in de jaren twintig, toen hij als organisator van stakingen in Hunan werd geconfronteerd met de repressie van de militaire gouverneur? Toen hij als jongeman schreef dat een leider niet bang is om een afschrikwekkend voorbeeld te stellen? Werden zijn overlevingsinstincten een decennium later voorgoed gestaald tijdens de heroïsche voettocht die de geschiedenis inging als de Lange Mars? Of werd hij pas meedogenloos nadat hij, weer een decennium later, zijn compromisloze experimenten van landbouwhervormingen en mobilisatie van de massa kon voortzetten – op een schaal die naadloos aansloot bij de dynastieke traditie van de vroegere Chinese keizerrijken?

Een scherp omlijnd antwoord is niet te vinden in twee recente biografieën van Mao Zedong, één van de vroegere BBC-correspondent Philip Short en één van de Britse historicus Jonathan Spence, beide getiteld Mao. Daarvoor zijn de factoren die Mao hebben gemaakt tot wie hij was – zijn eigenzinnige karakter, zijn ideologische vorming en de barre omstandigheden van zijn gevecht naar de top – te complex. Daarvoor was Mao ook teveel een man van `contradicties': persoonlijk (innemend en hardvochtig tegelijkertijd) en als beleidsmaker. Maar dat de man die vanaf de proclamatie van de Volksrepubliek China op 1 oktober 1949 tot aan zijn dood op 9 september 1976 het lot van honderden miljoenen mensen in zijn handen hield, geen `onschuldige' staatsman was, wordt overduidelijk uit het rijke relaas van Short en Spence. Spence is nog betrekkelijk neutraal in zijn voorwoord als hij schrijft dat Mao `één van de sterkste en vreemdste' representanten was uit China's traditie van gevreesde leiders, die hun macht misbruikten maar desalniettemin in staat waren door karaktersterkte en steun van hun vazallen en bewakers alle critici het zwijgen op te leggen.

Shorts beoordeling is navranter. Mao, schrijft hij, beschikte over een uitzonderlijke mengeling van talenten: visionair, staatsman, politicus en militair strateeg van geniaal statuur, filosoof en poëet. Maar hij was ook een leider die dood en verderf zaaide. Naar schatting drie tot vier miljoen mensen lieten het leven tijdens zijn campagnes: de beweging ter onderdrukking van `contra-revolutionaire' elementen, de `Drie Anti's', de `Vijf Anti's', de anti-Rechtsen Campagne, de beweging tegen `Rechts opportunisme', de `Socialistische Opvoedingsbeweging', de `Culturele Revolutie' en de `zuivering van de klassestanden', om de belangrijkste te noemen. Daarnaast stierven meer dan 20 miljoen mensen de hongerdood als uitvloeisel van de `Grote Sprong Voorwaarts'. Het totale aantal slachtoffers onder Mao's bewind werd in de vorige eeuw slechts één keer overtroffen, namelijk door alle doden van de Tweede Wereldoorlog bij elkaar op te tellen.

Opmars

De boerenzoon Mao werd geboren (26 december 1893 in Shaoshan) in de nadagen van de Qing-dynastie, toen het Rijk van het Midden werd geterroriseerd door lokale krijgsheren, vernederd door Europese koloniale grootmachten en belaagd door de militaire grootmacht in opkomst, Japan.

Spence kenschetst treffend de belangrijkse periodes in Mao's leven. Shorts meeslepende biografie is veel omvangrijker en gedetailleerder, waarbij hij put uit eerder ongepubliceerd bronnenmateriaal. De oud-correspondent begint op 12 december 1934 in het dorpje Tongdao. Tongdao, op de eerste etappe van de Lange Mars, markeerde het begin van Mao's alleenheerschappij over de communistische partij. In de jaren daarvoor had hij herhaaldelijk overhoop gelegen met de partijleiding: over de strategische samenwerking met de linkervleugel van de nationalistische Kwomintang, over zijn enthousiasme voor `boerenrevolutie' en over de tactische opstelling jegens het oprukkende leger van de Kwomintang. Toen de Lange Mars begon, stond Mao op een zijspoor. Maar in Tongdao, vlak nadat het halsoverkop terugtrekkende Rode Leger bijna was gehalveerd bij de gedwongen overtocht over de Xiang-rivier, werd er voor het eerst weer geluisterd naar zijn militaire adviezen (die uiteindelijk van doorslaggevende betekenis bleken voor het overleven van het Rode Leger).

Ook 27 jaar later, in de lente van 1961, werd er naar Mao geluisterd, maar dan via afluisterapparatuur die was geïnstalleerd in de privé-trein waarmee hij door zijn geboorteprovincie Hunan reisde. De episode, beschreven door Short, verwijst naar Mao's seksuele uitspattingen met jonge vrouwen. Het beeld van een oppermachtig, maar tegelijkertijd door zijn verheven status volstrekt van de buitenwereld afgesloten en vereenzaamd leider, is al eerder uitvoerig beschreven door Mao's lijfarts Li Zhisui.

Slechts weinigen in Mao's entourage hadden de moed hem tegen te spreken. Ook Short en Spence beschrijven die onderdanige houding veelvuldig. Zo betitelt Short premier Zhou Enlai als de ultieme meeloper, die er `zijn geloof van had gemaakt om loyaal te zijn aan Mao'. In de beginjaren van de partij hebben collega's Mao nog wel verweten dat zijn `stijl van leiderschap veel te wensen overliet.' Maar degenen die later kritiek leverden, hebben dat duur betaald.

Nachtmerrie

Als Short schrijft dat Mao geen `wijs' beleid heeft gevoerd, slaat dat zeker op de Grote Sprong Voorwaarts, de poging om via mobilisatie van de massa's en collectivisering van de productie China's economie tot grote hoogte op te stuwen. In een land met industriële ervaring zouden de utopische doelen van de Grote Sprong Voorwaarts zijn afgedaan als `ijdele dromen', schrijft Short. Maar niet in China, waar overal op het platteland de rokende schoorstenen van kleine smelterijen verschenen en waar de boeren zongen: `Communisme is het Paradijs, De Volkscommunes leiden de weg er naar toe'. Het eindigde in één grote nachtmerrie. In plaats van het industriële Westen ook maar te benaderen, werd China in ontwikkeling teruggeworpen. Misoogsten leidden eind jaren vijftig, begin jaren zestig tot hongersnood met miljoenen doden.

Mao erkende schoorvoetend verantwoordelijkheid te dragen voor de ramp, en hij trok zich terug op `de tweede lijn' om de dagelijkse leiding over de staat in handen te geven van het pragmatischer ingestelde driemanschap Liu Shaoqi, Deng Xiaoping en Zhou Enlai. Maar dat bleek vooral een manoeuvre om zich achter de schermen voor te bereiden op de ultieme aanval `op de krachten van bourgeois revisionisme' in China, inclusief die in de leiding van de partij, schrijft Spence. De `Culturele Revolutie', de apocalyptische missie waarmee de bejaarde Mao zijn revolutionaire erfgoed voorgoed wilde veiligstellen – steunend op het oude kader in het Volksleger en de Rode Gardisten – stortte het land in een complete chaos. In de orgie van geweld lieten opnieuw miljoenen het leven. Achteraf kan alleen met verbazing worden vastgesteld hoe lang het romantische beeld van de Grote Roerganger in het buitenland heeft kunnen voortbestaan.

Op 18 februari 1972 brachten de Amerikaanse president Richard Nixon en zijn minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger hun historische bezoek aan China. De Mao die zij ontmoetten, was een man die met verbluffend gemak zijn bijdrage aan de Chinese geschiedenis wist te relativeren. Toen de Amerikaanse president opmerkte dat hij, Mao, de Chinese beschaving had hervormd, reageerde de voorzitter: `Nee, die heb ik niet kunnen veranderen. Ik ben er alleen maar in geslaagd een aantal plaatsen in de buurt van Peking te veranderen.'

Wie naar het huidige China kijkt, waar de partij zich opwerpt als hoedster van economische liberalisering, beseft dat er een diepe waarheid in die opmerking zat. Maar tegelijkertijd toonde Mao zich te bescheiden. Als weinig andere despoten voor hem heeft hij invloed gehad op het dagelijks leven van vele generaties. Tot zijn afgrijzen had Mao gezien hoe Stalin na diens dood door zijn opvolger Chroesjtsjov werd bijgezet op de mestvaalt van de geschiedenis. Dat lot wilde hij door de Culturele Revolutie ontlopen. `Waar Confucius harmonie onderwees, predikte Mao de eindeloze klassenstrijd, totdat die een kooi werd waaruit hij, noch het Chinese volk kon ontsnappen', schrijft Short. Spence is al even scherp: `Mao hoefde niet te doen wat hij heeft gedaan. Hij was er alleen verantwoordelijk voor dat zijn visioenen over sociale en economische verandering hopeloos verstrikt raakten met geweld en angst'.

Het is zoals de vijf jaar geleden overleden vice-voorzitter van de Chinese Communistische Partij Chen Yun in 1979 opmerkte: `Als Mao in 1956 was overleden, zouden zijn prestaties onsterfelijk zijn geweest. Als hij in 1966 zou zijn overleden, zou hij nog steeds een groot man zijn geweest. Maar hij stierf in 1976. Helaas, wat kan men er van zeggen.'

Jonathan Spence: Mao. Weidenfeld & Nicolson, 205 blz. ƒ46,45

Philip Short: Mao. A Life. Hodder & Stoughton, 800 blz. ƒ57,95 (pbk)