Revolutionaire van rechts

De kruideniersdochter. Met die karakteristiek als ondertitel van zijn biografie lijkt John Campbell te voldoen aan het cliché dat Margaret Thatcher niet meer was dan een middelmatig product van Brittannië's degelijke, oersaaie middenklasse. Achteraf blijkt het een stijlfiguur om de voor een biograaf altijd zware opgave te klaren enige kleur te geven aan de eerste, doorgaans weinig verrassende fase van een leven dat pas later tot de verbeelding is gaan spreken. Zo kon er nog werk worden gemaakt van de politieke en psychologische invloed die Alfred Roberts, kruidenier en wethouder te Grantham, zou hebben gehad op zijn dochter, de latere leider van drie Conservatieve regeringen. Thatcher zelf heeft in haar memoires de stoot gegeven tot die bijna freudiaanse legende, maar zij overtuigt niet. Als Campbell één ding duidelijk maakt, is het wel de unieke, geheel op zichzelf gerichte en doelbewuste politieke carrière van deze eerste, en voorlopig laatste, vrouwelijke premier van het Verenigd Koninkrijk.

De naam waaraan zij de voorkeur gaf, is voldoende illustratie. Vanaf haar huwelijk met de geslaagde zakenman Denis Thatcher in december 1951 was zij `Mrs. Thatcher'. Dat huwelijk gaf haar de financiële zekerheid die zij nodig had om haar politieke loopbaan vaart te geven. De tweeling die kwam, vormde geen obstakel. Personeel was nooit een probleem. Dat Denis in de publieke opinie uiteindelijk devalueerde tot `de echtgenoot van Mrs. Thatcher' was evenmin een probleem, niet voor hem en zeker niet voor haar. Wat haar overigens niet verhinderde om het imago van werkende moeder, die 's ochtends plichtsgetrouw het ontbijt klaarzet en zelf de dagelijkse inkopen doet, politiek volledig uit te buiten. Mrs. Thatcher wist instinctief dat onversneden feminisme, ook op het hoogtepunt van dat verschijnsel in de voor haar succesvolle jaren zeventig en tachtig, electoraal geen zoden aan de dijk zette. Vandaar geen Margaret Roberts in 10, Downingstreet.

In 1979 gaf de kans van een vrouwelijke premier een extra prikkel aan de verkiezingscampagne van de Tory's. Als er dan een bezem nodig was om de Augiasstal schoon te vegen dan kon die maar beter door een ervaren huisvrouw worden gehanteerd. Dat de Daily Mirror dat beeld vervormde tot een heks op een bezemsteel deerde de kandidaat niet. Bovendien, de macho's in het electoraat, de kiezers die haar als vrouw niet konden accepteren, deelden haar onbuigzame conservatieve opvattingen over immigratie, de doodstraf, stakers en een sterke defensie. Met een variant op John Kennedy's uitspraak over de `liberals' in de Democratische partij, kon Thatcher met recht over deze reactionairen zeggen: zij hebben geen alternatief.

Ontworsteld

Al in de zomer van 1965 had de timmermanszoon Edward Heath de macht in de Conservatieve partij ontworsteld aan het establishment. De laatste vertegenwoordiger daarvan, de Schotse edelman Douglas-Home, moest het veld ruimen voor de in de partij aanstormende middengroepen. Maar Heath, vrijgezel, zeezeiler en amateur-dirigent, werd, anders dan Thatcher, zijn eenvoudige afkomst niet nagedragen. Om Thatchers prestaties te verklaren kwamen zelfs roddels van pas over buitenechtelijke relaties van haar vrouwelijke voorouders met adellijke personen – alsof een pure burgermans dochter van nature de leidersgenen zou missen.

Thatcher heeft haar naam gegeven aan een nieuw verschijnsel in de westerse politiek: het thatcherisme. Reagan, die bijna twee jaar later aantrad in het Witte Huis, toonde zich een volgeling, maar ook op het continent maakte dit mengsel van monetarisme en anti-vakbondssentiment school, onder het motto dat de regering en de gangbare politiek niet de oplossing waren maar juist het probleem. Privatisering en deregulering, twee producten van dit denken, woeden voort tot op de dag van vandaag. Maar Thatcher zelf was, Campbells spoor volgend, op zijn best een verborgen thatcherite. Althans tot een eindweegs in haar eerste termijn als premier – waarvan de auteur overigens slechts de contouren tekent. Volume One van zijn biografie is gewijd aan de opmars, Thatchers voleinding als regeringsleider moet wachten op het tweede deel.

Tijdens haar eerste en geslaagde campagne om het premierschap was Margaret Thatcher gepopulariseerd tot `Maggie', de huisvrouw die weet dat een shilling maar één keer kan worden uitgegeven en die bij het winkelen een rode (voor Labour) en een blauwe (voor de Tory's) boodschappentas droeg. De boodschap zelf was duidelijk: de blauwe was gevuld met de overtuiging dat het onder Thatcher alleen maar beter kon gaan. Een paar jaar later, na de succesvolle oorlog om de Falklands, evolueerde Thatcher tot de `Iron Lady', een merknaam die overigens al in januari 1976 was gemunt door Rode Ster, het blad van de sovjetstrijdkrachten. Thatcher had toen in een befaamd geworden rede het communistische gevaar, dat volgens haar het voortbestaan van de democratische wereld bedreigde, in schrille kleuren afgeschilderd. ``Zij hebben mij nooit een grotere gunst verleend', meende zij in een reactie. Als Iron Lady zou zij de geschiedenis ingaan.

Het is niet overdreven te stellen dat Thatcher twee keer in haar loopbaan profiteerde van het wangedrag van haar felste vijanden: de extremen onder de vakbondsleiders. In 1975, na een mijnwerkersstaking die de energievoorziening torpedeerde en Heath als premier en als partijleider de nek brak, veroverde zij de leiding van de Tory's in de oppositie. In de winter van 1978-'79 werd de socialistische regering van James Callaghan getroffen door een stakingsgolf die het hele land lam legde. De daarop volgende verkiezingen brachten Thatcher in 10, Downingstreet, hoewel de aanhang van Heath een jaar eerder nog had overwogen haar het leiderschap weer te ontnemen.

De jaren zeventig waren de jaren van de inkomenspolitiek, van loon- en prijsmaatregelen om de economie te stimuleren dan wel oververhitting te voorkomen. In Brittannië stond dit bekend als stop-go, een beleid dat in de praktijk inflatie-in-twee-cijfers paarde aan toenemende werkloosheid. Maar monetarisme – manipulatie van geldhoeveelheid en rentestand – en vrije markt hadden nog de naam een ketterij te zijn. In de Conservatieve partij werd het geloof in een vrije vorming van lonen en prijzen slechts beleden aan de fringes en op de backbench in het Lagerhuis. Hoewel Thatcher bij gelegenheid en in besloten kring uiting gaf aan haar instincten op economisch gebied, wachtte zij zich ervoor haar werkelijke kleuren in het openbaar te tonen. Zelfs als Leader of the Opposition stelde zij een vroege voorvechter van een terugtredende overheid als Enoch Powell keer op keer teleur, zodat deze zich een tijdlang zelfs geheel van haar afwendde.

Een keerpunt in haar populariteit kwam in 1977 toen zij, twee dagen na een racistisch incident in Wolverhampton, in een televisie-interview uiting gaf aan haar begrip voor de angst onder de bevolking dat zij ``overstroomd' werd ``door mensen van een andere cultuur'. Tegen het advies van haar omgeving in had zij deze term gebruikt, zodat, schrijft Campbell, er geen sprake was van een gaffe, maar van een doelbewust inspelen op de sentimenten van het electoraat. Zij zou niet de laatste politicus zijn die deze gevoelige snaar ten eigen bate tot trilling wist te brengen. Sindsdien, meent Campbell, kwam de omslag in haar kansen het premierschap te veroveren. Vrij naar De Gaulle had zij duidelijk gemaakt het electoraat te hebben begrepen.

Hard rechts

In de Angelsaksische wereld was het de tijd van de doorbraak van rechts naar links van het midden. In Amerika zocht Reagan de steun van de arbeiders, de blue collar-stem. In een rede in de lente van 1980 voor de mijnwerkers van Pittsburgh, Pennsylvania, wierp hij zich op als alternatief voor de mislukte Democraat Carter. Een jaar eerder had Thatcher hetzelfde gedaan met een beroep op al die vakbondsleden die genoeg hadden van het extremisme van hun leiders, van de `closed shop' (het gedwongen lidmaatschap), de ruïneuze stakingen die geen ander doel meer dienden dan het bevredigen van de machtswellust aan de top, van de onmogelijkheid te kiezen voor meer verdienste door langer te werken. Aan het eind van de jaren tachtig, aan het eind van de periode Reagan/Thatcher, was er geen arbeidersstem van betekenis meer over. Daarvoor in de plaats waren de opwaarts mobiele `witte boorden' gekomen. Zoals Campbell erkent: het had allemaal weinig te maken met veel of weinig overheidsbemoeienis. Het waren de veranderingen in technologie en communicatie, het ochtendgloren van de nieuwe economie, die bepalend waren.

Europa zou Margaret Thatcher vellen. Ten tijde van Macmillan en Heath, haar Conservatieve voorgangers aan het hoofd van de regering, had zij zich een overtuigd Europeaan getoond. De toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Gemeenschap steunde zij volledig. Maar, meent Campbell, zij had een gaullistische visie op de Common Market. Brittannië kwam, bij deze overtuigde nationaliste, op de eerste plaats, op de gemeenschappelijke markt kon het leiding geven. Erbuiten blijven zou het land ongeneeslijk verzwakken.

Die zin voor de werkelijkheid ebde weg toen Europa zich eind jaren tachtig begon te ontwikkelen van een markt tot een politieke entiteit. Aan Thatchers persoonlijke tragedie als gevolg van haar vijandige opstelling binnen de Gemeenschap – haar trouwste volgelingen dwongen haar eind 1990 tot vroegtijdig aftreden – komt dit eerste deel van haar biografie niet toe. Maar het drama werpt al wel zijn schaduwen vooruit. Thatchers succes was te danken aan haar gevoeligheid voor de tijdgeest, haar ondergang aan het misverstaan van de veranderingen die daarin vervolgens waren opgetreden. Zij sneuvelde als staatsman en als politicus. Haar sekse, in de aanloop naar de macht van zo grote betekenis, speelde geen rol meer toen zij het podium moest verlaten.

John Campbell: Margaret Thatcher. Volume One:

The Grocer's Daughter.

Jonathan Cape, 512 blz. ƒ104,25